Helbros vintage chronograaf

Een chronograaf uit de jaren ’40 – niet slecht voor een horloge wat nog steeds elke dag om de pols gedragen wordt!

Ik kwam er laatst achter, toen ik op GoT mijn oude posts aan het terugzoeken was, dat ongeveer 10 jaar geleden mijn fascinatie met horloges begonnen was. In die tijd heb ik tientallen horloges gekocht, gedragen en weer verkocht. Ondertussen heb ik er nog zoveel in bezit dat mijn horlogedoos met ruimte voor 12 stuks – vrij ruim, dacht ik toen ik hem kocht – uitpuilt. Heb ik dus nog meer horloges nodig? Nee, natuurlijk niet. Maar blijf ik ze kopen? Jep, en dat gaat ook niet veranderen.

Mijn dagelijkse klokje is de afgelopen drie jaar een vintage Omega Seamaster uit de ’60s geweest die ik qua model zeer fraai vind, behalve dat het een ‘redial’ is. Dat betekent dat bij een restauratie de originele wijzerplaat is vervangen door een aftermarket exemplaar, omdat het origineel te veel beschadigd was. In deze macro-foto kun je goed zien dat de redial niet van de beste kwaliteit is – en aan de wijzers ook zien wat de originele staat van de plaat waarschijnlijk was:

Vintage Omega Seamaster

Dat wist ik toen ik het horloge kocht en vond ik destijds niet erg, maar het bleef toch een beetje aan me knagen. Bij vintage horloges wordt ‘patina’, het mooi oud worden van het object, juist ontzettend op waarde geschat. Restauraties waarbij onderdelen grof vervangen worden zodat het horloge er weer als nieuw uitziet is vloeken in de kerk. Het is zelfs zo erg not done dat je bij een vintage Rolex meteen alle waarde door de plee spoelt als je op deze manier onderdelen zou vervangen.

Daarom zocht ik al een tijdje naar een klokje wat iets gracieuzer oud was geworden, en waar nog niet zoveel aan was verkloot. Daarnaast wou ik graag ook een mechanische chronograaf hebben, een horloge waar een stopwatch op is ingebouwd. Dit zijn best complexe apparaten en daarom extra gaaf om te bezitten, vooral als ze al wat ouder zijn en het desondanks nog steeds goed doen. Dus ik was zeer tevreden toen ik dit horloge oppikte:

Vintage '40s Helbros chronograph watch #2

Deze Helbros stamt uit de jaren ’40, wat betekent dat het al ruim 70 jaar oud is. Maar na een recente servicebeurt loopt ie weer zo netjes dat ik hem elke dag probleemloos naar werk kan dragen zonder dat het horloge er last van ondervindt.

Zoals veel horlogemerken uit de pre-quartz tijd is Helbros een merk wat geruisloos dood is gegaan en we tegenwoordig nog weinig van kennen. De internetfora zijn verdeeld over de origine – het ene verhaal gaat dat er destijds Helbros warenhuizen in verschillende steden in de VS waren, die in opdracht horloges lieten bouwen bij fabrikanten en daar hun eigen naam op lieten zetten. Andere bronnen zeggen dat de Helbros Watch Company de Amerikaanse tak was van de Helbein Brothers, Zwitserduitse horlogemakers. Een oude advertentie uit 1947 laat wel een vergelijkbaar chronograaf model zien onder de Helbros Watch Company naam:

helbros-ad

Ik kwam er, zo zoekende naar meer informatie over Helbros, ook achter dat exact dit klokje recent nog een aantal vorige eigenaren had gehad. Dankzij het patina is dit exemplaar meteen te herkennen van elk ander Helbros horloge. Zo stond hij een jaar geleden ook al te koop. En een andere vorige eigenaar had zelfs deze beauty shot genomen:

tumblr_ntakuzqMF41suvpdbo1_1280

Het horloge draait van binnen op een Zwitserse Venus 170. Venus was een gespecialiseerde uurwerkmaker die z’n producten verkocht aan verschillende horlogemerken. De 170 werd gebruikt door bekende merken als Breitling, Heuer en Gallet. Het is geen topmodel uit dat tijdperk – dat waren de zeer gewilde Excelsior Parks en Minerva’s – maar zeker een respectabel stuk techniek, niet zo budget uitgevoerd als een Landeron.

De Venus 17x lijn gebruikt een ‘column wheel’ in plaats van de ‘cam’ in veel moderne mechanische chronografen; daarom zijn de knoppen gevoeliger en voelen ze minder stroef. En de layout van de kleine wijzers zijn op een Venus 170 verticaal geplaatst, in plaats van het traditionele horizontaal, wat ik ontzettend mooi vind. De onderste kleine wijzer is de normale secondewijzer; de grote secondewijzer op de plaat hoort bij de chronograaf. De kleine wijzer boven telt de minuten die de chronograaf gelopen heeft. De knop rechtsboven is de start/stop knop, terwijl de knop rechtsonder de chronograaf weer reset naar nul.

venus170

Over het uiterlijk in combinatie met het patina kan ik nog uren blijven praten. Het creme-kleurig geworden wit van de wijzerplaat, het sprankelende rood van de telemeter schaal, de diep donkerblauwe wijzers die nu haast zwart lijken. De ouderdomspatronen op de plaat, die alleen bij een bepaalde invalshoek van het licht echt opvallen, het afgebladderde chroom op de kast, de krassen en butsen die laten zien dat het horloge echt gebruikt is geweest. Alles klopt gewoon – dit is patina zoals het bedoeld is voor mij. Niet zo verneukt dat je een half weggeroest brok ijzer om de pols hebt, maar zeker niet zo nep-nieuw als een gerestaureerd model. Dit uiterlijk is respectvol gezien de leeftijd – meer dan 70 jaar oud! – van het object.

Vintage '40s Helbros chronograph watch #3

Er moest nog wel een nieuw bandje op, want zoals veel vintage horloges heeft dit klokje een ongebruikelijk maat voor het bandje: 17mm. Normale moderne horloges gebruiken bijna alleen maar even maten (bv 16mm of 20mm), waardoor de selectie bandjes in oneven maten veel kleiner is. Daarom had de verkoper er waarschijnlijk ook geen passend bandje bij gedaan, want het horloge zat op een 16mm bandje toen ik hem ontving. 1mm verschil klinkt alsof het niet veel is, maar dat zie je meteen bij een horloge. Gelukkig kon ik bij de Horlogebandenspecialist een fraai Rios bandje van struisvogelleer in 17mm vinden.

Vintage '40s Helbros chronograph watch #1

Het enige nadeel? Het horloge is relatief klein, omdat de mode voor horloges uit de ’40s sowieso veel kleiner was. Een horloge van 36mm, tegenwoordig een vrouwenmaat, werd destijds ‘oversized’ voor mannen genoemd. Dit horloge is met 32mm vrij normaal voor de periode, maar voor de gemiddelde moderne man veel te klein. Maar nu wil het geluk dat ik met m’n Aziatische genen helemaal niet zulke grote horloges nodig heb. Dit klokje past prima bij mij op de pols:

Vintage '40s Helbros chronograph wristshot

En gaat dat de komende tijd dus ook mooi doen! Denk dat het een zeer fraaie vervanger wordt van m’n Omega, als dagelijks kantoorhorloge.

ONA Union Street Cameratas

Bedoeld als cameratas, maar ook uitstekend geschikt als dagelijkse werktas.

Ik wil al ruim 5 jaar de ONA Union Street cameratas. Het is één van de mooiste cameratassen die ik ooit gezien heb, gemaakt van waxcanvas en leer in een klassieke stijl die destijds helemaal niet gangbaar was tussen de nylon Crumpler, LowePro en vergelijkbare merken. In de tussenliggende jaren kwamen er steeds meer merken bij die ook zoiets deden, maar dat eerste ONA model heeft me nooit losgelaten. Het probleem bleef de prijs: meer dan 300 euro voor een cameratas is stiekem een beetje absurd. Ik heb zelfs geprobeerd om er DIY een zelf te maken door een normale messenger tas te waxen en daarna te voorzien van camera padding. Maar dat was toch lang niet hetzelfde.

Ona-Union-messenger-bags

Toen ik vorige maand besloot om een nieuwe werktas te kopen keek ik al snel naar de standaard hipster heritage merken als Filson. De Filson 256 is een van de mooiste werktassen die er bestaat. Deze kost ook rond de 300 euro, maar voor een tas die je elke dag gebruikt is dat helemaal niet zo’n gek bedrag.

En toen bedacht ik me dat ik natuurlijk ook de ONA kon kopen voor dat geld, als werktas kon gebruiken, en dan ook nog eens veilig elke dag m’n dSLR kon meenemen. Ja, ik ben echt heel goed in het voor mezelf bedenken van rationalisaties om meer geld uit te geven :)

Dus meteen besteld in de kleur Smoke – grijs dus. Ik heb ‘m nu twee weken in bezit en ik moet zeggen: Wauw. Wat een tas.

Van buiten is het al een fraai apparaat: grijs waxcanvas, roodbruin leer. De wax in de stof zorgt ervoor dat de tas waterafstotend is, en zorgt er ook voor dat de tas net als het leer mooi oud wordt. Het doek gaat op den duur een geheel eigen karakter krijgen, omdat er vouwen en krassen in komen die het patina geven.

IMG_0979.jpg

De tas kun je dragen met het leren hengsel of de schouderriem. De schouderriem heeft een leren pad met een zachte onderkant, die prima comfortabel is. Het hengsel is wat ongebalanceerd omdat het alleen aan de achterkant zit, waardoor de tas wel schuin hangt als je hem hiermee draagt. De schouderriem staat daarom een stuk mooier. Achter het leren hengsel heb je ook nog een verborgen vak. Deze is groot genoeg voor wat documenten of een tablet die je snel bij de hand wilt hebben, en sluit met een klein magneetje.

IMG_0981.jpg

De bodem is volledig met leer versterkt, zodat die niet kan doorlekken als je de tas neerzet op een vochtige stoep of andere natte ondergrond.

IMG_0982.jpg

Het metaalwerk is uitgevoerd in ‘antique brass’, wat het net ff wat meer klasse geeft dan een standaard roestvrij staal uiterlijk.

IMG_0987.jpg

IMG_0983.jpg

De tas sluit aan de voorkant met verborgen schuifgespjes, terwijl de riempjes alleen bedoeld zijn om de klep te verstellen.

IMG_0988.jpg

IMG_0990.jpg

Van binnen heeft de Union Street verschillende padded compartimenten die je naar wens kunt instellen. De padding is superzacht en dik, dikker dan in mijn andere cameratassen, en je kunt je helemaal uitleven op de indeling. Als je wilt kun je ook alles verwijderen zodat je een volledig lege tas hebt, zonder laptop of cameravakken.

IMG_0994.jpg

Voorin zit nog een apart voorvak, gesloten met een rits, waar ruimte is voor wat losse spullen. Er zitten 4 SD-kaart vakjes in, 2 grotere vakken waar bijvoorbeeld visitekaarten kunnen, en een aantal pennenhouders. De grote vakken zijn stevig afgewerkt met leer zodat ze hun vorm blijven behouden.

IMG_1001.jpg

IMG_1000.jpg

Aan beide weerszijden zit onder het ONA logo een klein vakje waar bijvoorbeeld een flesje water in zou kunnen.

IMG_0985.jpg

De zijkanten zijn ook voorzien van extra flapjes die naar binnen vouwen als je de tas sluit; deze zorgen ervoor dat de regen buitengehouden wordt. Superhandig en eigenlijk heel raar dat dit niet op alle tassen zit.

IMG_0999.jpg

Om je een idee te geven van mijn dagelijkse indeling, dit is de tas leeg:

IMG_0992.jpg

En dit met vulling:

IMG_1006.jpg

Mijn EDC bestaat uit een 13″ Macbook Air, een Canon 60d met 24mm pancake lens, een Moleskine notebook met een Visconti Rembrandt pen in een HardGraft houder, een Western Digital USB3 externe HD, astma medicijnen en een busje deo, en verder wat kleine kabeltjes en losse spullen als een powerbank in het voorvak.

IMG_1004.jpg

Tot nu toe super tevreden mee. Ik zal over een paar maanden nog een update geven als ik er een tijdje mee heb rondgelopen, maar ik denk niet dat ik hier snel iets te klagen over zal hebben!

Boomcase v3

Oude spullen in een nieuw jasje; m’n nieuwste boomcase is een feit!

Boomcase v1 is dood, lang leve boomcase v3! V1 was mijn eerste speakerkoffer experiment, waar ik ook een hoop onderdelen in- en uitgebouwd heb om mee te testen. Dat heeft het koffertje geen goed gedaan, en het werd steeds lastiger om hem te repareren als er weer eens iets mis ging. Net voor ik hem mee zou nemen naar Frankrijk stopte opeens één van de speakers ermee en kreeg ik ‘m niet meer aan de praat. Toen was ik er klaar mee en besloot ik de onderdelen uit v1 opnieuw te gebruiken in een nieuwe, beter gebouwde koffer. Tada:

IMG_0607.jpg

Dat ziet er al een stuk strakker uit dan de vorige twee versies. Vintage leren koffers zien er geweldig uit, maar hebben als nadeel dat ze zacht zijn. Je moet een houten frame bouwen – die de hele koffer meteen twee keer zo zwaar maakt – om de speakers en andere onderdelen te dragen. Toen ik v1 bouwde was ik ook nog een totale noob op het gebied van houtbewerking, en dat zag je meteen. Niks past, alles staat schots en scheef, de halve koffer zakt steeds in. Not great.

Bij het bouwen van v2 ontdekte ik hoe handig vintage koffers van licht hout zijn, die uit zichzelf al genoeg stevigheid bieden om de speakers te dragen. Ik probeerde nog zo’n koffertje te vinden in de kringlopen in de buurt, maar die waren helemaal leeggekocht – blijkbaar ben ik niet meer de enige hipster die ze ombouwt. En toen kwam ik geheel willekeurig bij de Blokker dit koffertje tegen.

blokkerfolder

Okee, die wereldkaart is intens lelijk en het mist de echte vintage charme. Maar voor 2 tientjes heb je wel een stevig koffertje met de juiste afmetingen. Moeite van het proberen waard!

Afgelopen zaterdag begon ik om 2 uur ‘s middags met meten, plaatsen, aftekenen en zagen. In tegenstelling tot v1 wou ik nu de versterker aan een zijkant monteren in plaats van aan de voorkant, geïnspireerd door een aantal modellen op Instructables. Dat ziet er beduidend professioneler uit:

sideamp

Na 3 uur passen en meten zat de koffer vol met de juiste gaten en kon ik de oude onderdelen beginnen over te zetten. Deze koffer blijkt overigens niet van hout te zijn gemaakt; bij het boren kwam er een kartonachtige pulp uit. Maar de koffer is alsnog stevig genoeg om alles te dragen.

Untitled

De binnenkant is gevoerd met stof, die ik eigenlijk wou laten zitten. Maar de eerste keer dat ik gaten boorde in het deksel bleef de boorkop haken in de stof en anderhalve seconde later was alles uit de koffer gescheurd en om m’n boor gewikkeld. Dat had, bedacht ik me later, veel slechter en pijnlijker kunnen aflopen. Voortaan snij ik daarom de de voering eerst uit de koffer.

Untitled

Qua techniek is v3 nog steeds hetzelfde als v1: een 7200mAh 12v (scooter)accu met een accusafe regeling en ingebouwde lader, Lepai LP-2020A+ digitale versterker met ingebouwde adapter, en twee Pioneer autospeakers. Op normaal luistervolume verwacht ik met deze spullen makkelijk 20+ uur muziek te halen, op feestvermogen waarschijnlijk een uur of 10. Als ik na gebruik de accu weer wil opladen hoef ik de koffer alleen maar in een stopcontact te pluggen; de accusafe regelt verder dat de accu veilig opgeladen wordt.

IMG_0601.jpg

Na 3 uur onderdelen inbouwen, kabels afwerken en alle polariteit nog een keer checken was ik klaar. Bouwtijd is dus teruggebracht van dagenlang avondjes klussen naar 6 uur aan één stuk doorwerken. ‘Tis nog steeds niet iets wat ik winstgevend voor de verkoop zou kunnen doen, maar wel leuk om te zien hoe snel je beter wordt in dit soort geklus.

Stiekem vind ik v3 veel mooier zonder het speakergaas erop, en de eerste paar uur heb ik ‘m dan ook zonder bewonderd. Maar het is echt niet veilig om zonder gaas zo’n koffer te gebruiken, ook al lijkt iedereen online dat zogenaamd te doen. Je hoeft maar één keer per ongeluk de hoek van een tafel verkeerd aan te stoten en er zit een scheur dwars door je speaker. Zonder gaas is misschien een optie als je koffer permanent op één veilige plek in je huis blijft staan. Maar deze gaat mee naar festivals, dus nee.

Untitled

Eén feature die volledig nieuw is in v3 is een USB aansluiting, met rubber dop om in het geval van regen niet kort te sluiten. Deze plug met 2 USB uitgangen, waaronder een 2A uitgang voor tablets, is eigenlijk bedoeld voor inbouw op een motorfiets. Hij maakt van de 12v waar de koffer op draait netjes de 5v die USB nodig heeft. Ik kan hiermee vanaf de boomcase accu ook mijn telefoon opladen – dat gaat superhandig zijn op Lowlands over een paar weken.

IMG_0604.jpg

Wat moet er nu nog gebeuren? Waar ik me nog echt zorgen om maak is het handvat. Het koffertje is zelf wel stevig genoeg om de 6 kilo aan spullen te dragen, maar datzelfde vertrouwen heb ik eigenlijk niet in het handvat. Vooral de manier waarop die aan de koffer is bevestigd lijkt de term ‘decoratiekoffer’ uit de Blokker folder nogal te benadrukken. Maar dat is op zich zo opgelost met een dremel en een verstevigde plaat om ‘m aan te monteren.

Ik heb nu nooit een flauw idee hoe leeg de accu al is. Het liefste zou je een smartphone-achtig indicatortje hebben met een volle tot lege accu, maar zo simpel werkt het helaas niet. Wat je wel kunt monteren is een voltmeter die aangeeft hoeveel spanning nog op de accu staat. Naarmate de accu leger wordt gaat de spanning namelijk ook naar beneden. Als de voltmeter bij de 11.5v komt is de accu zo ongeveer leeg.

voltmeter

Daarnaast zou ik het liefst toch weer bluetooth hebben in deze case, maar het BT bordje wat ik in v1 heb getest was verschrikkelijk. Minder dan één meter bereik en het in de hand houden van je telefoon is al genoeg om het signaal te verbreken. Maar het is mogelijk om BT antennes te vervangen, en dat zou natuurlijk weer een prima oplossing kunnen zijn om de ontvangst te verbeteren.

En eigenlijk ziet deze koffer er veel te nieuw uit. Ik heb al wat ideeën over hoe ik wat nep patina kan aanbrengen om toch het vintage effect te krijgen, en dan meteen die wereldkaart eraf te schuren. Deze guide van Mythbuster’s Adam, die laat zien hoe hij z’n props een oud uiterlijk geeft, geeft ook genoeg inspiratie:

Nog genoeg te doen dus! En wat gebeurt er met de restjes van v1? Tjah, ik kon het toch niet over m’n hart verkrijgen om die koffer nu weg te gooien. Dus misschien komt er daar toch ook weer een projectje uit…

Polaroid Colorpack 100 packfilm camera

Packfilm was Polaroid’s oudere techniek, van voor ze de witte instant frames hadden ontwikkeld. Ik kocht een oude packfilm camera om te kijken of dat tof spul zou zijn…

De Polaroidfilm die iedereen wel kent, zo’n witte vierkante frame die uit de camera glijdt en waar vanzelf een foto in verschijnt, was niet Polaroid’s eerste instantfilm. Voordat deze integral film bestond had Polaroid namelijk al een andere instant techniek: de packfilm. Packfilm, ook wel bekend als peel-away film, is minder geavanceerd en kan het chemische proces om een foto te ontwikkelen niet automatisch stoppen. Daarom moet je na ongeveer twee minuten het negatief met ontwikkelchemicaliën eraf trekken. Dan stopt het proces en eindig je met in je ene hand de uiteindelijke foto en in je andere de restjes met een kleverig chemisch goedje.

peelfilm

Ik had al eerder van packfilm gehoord, maar dacht eigenlijk dat het allang niet meer gemaakt werd. Toen een vriend opmerkte dat hij nog steeds packfilm van Fuji kocht en dat deze goedkoper was dan Impossible’s integral film wou ik daar best eens mee experimenteren.

fp100c

De enige packfilm die je nog kunt krijgen is de Fujifilm FP-100c. Dat is een kleurenfilm; tot voor kort hadden ze ook een zwart/wit film (FP-3000b) maar sinds de productie daarvan gestopt is zijn de resterende pakjes film flink in prijs gestegen. Een stuk minder interessant om mee te spelen dus. FP-100c daarentegen kun je voor 10 euro per pak van 10 foto’s krijgen. Er waren vroeger twee soorten packfilm: type 80 en type 100, alleen verschillend in afmeting. Fuji’s film is type 100, wat betekent dat je goed moet opletten als je een Polaroid packfilm camera zoekt. Type 80 film wordt niet meer gemaakt dus type 80 camera’s zijn eigenlijk alleen nog maar als decoratie geschikt. Je kunt een type 80 camera wel aanpassen om type 100 film te gebruiken, maar dan moet je zowel de camera als de film flink verbouwen (lees: slopen). Daar wordt niemand gelukkig van.

Polaroid heeft door de jaren heen packfilm camera’s voor elk budget gemaakt, waardoor er veel verschillende varianten bestaan. De mooiste type 100 camera’s zijn de vouwende metalen varianten met balg, Zeiss Ikon rangefinder en glazen lenzen, maar die kosten in goede staat nu een paar honderd euro. Net even teveel voor een experimentje.

land350camera

Veel interessanter om mee te beginnen zijn de plastic rigid body – niet vouwende – camera’s. Die zijn vergeleken met de dure vouwende versies eigenlijk een soort speelgoedcamera’s waarbij alles van gammel plastic is, zelfs de lens. Maar je kunt op eBay en marktplaats voor haast niks een type 100 rigid body camera krijgen. Na een avondje zoeken was ik voor een tientje, inclusief verzendkosten, een camera rijker.

Plastic fantastic: Polaroid Colorpack 100 packfilm camera

Mijn nieuwe aanwinst is een Polaroid Colorpack 100. Volgens de Land List was dit een van de meer recente exportversies van de Amerikaanse Colorpack lijn, gemaakt tussen 1975 en 1976. Polaroid’s integral film bestond toen al, maar packfilm camera’s werden nog gemaakt en waren veel goedkoper. De term plastic fantastic wordt wel vaker gebruikt als het om plastic camera’s gaat, maar dit is toch wel echt het toppunt. Het enige metaal wat je aan de buitenkant kunt ontdekken is de klem aan de zijkant die de achterkant dichthoudt (!!!). De camera is verder ontzettend simpel: een schuif om de ISO te wisselen tussen 75 (kleurenfilm) of 3000 (zwart/wit film), een knop om de sluiter te bedienen, een draaiende lens waarmee je de focusafstand op de gok instelt en daarnaast een draaiknop waarmee je de foto lichter of donkerder kunt maken. Aan een zijkant heb je ook nog plek voor een flashcube, de weggooi-flitsers die ze vroeger gebruikten, aan de andere een soort keukenwekker waarmee je de tijd kunt aftellen voordat je je film mag opentrekken.

Er moeten 2 AA batterijen in een goedkope rigid body, wat erg handig is want de duurdere packfilm camera’s gebruiken obscure batterijen die niet meer gemaakt worden. De lichtmeter en daardoor de sluiter worden door de AA’s van stroom voorzien. Zonder stroom gaat de sluiter niet goed af en krijg je alleen maar pikzwarte foto’s. Om te testen of de camera werkt kun je deze simpele test uitvoeren:

Het eerste pakje FP-100c film kocht ik bij een lokale fotowinkel zodat ik snel kon testen. Ironisch genoeg koste dat pakje vijftien euro, waardoor de waarde van de camera meer dan verdubbelde nadat ik de film erin gestopt had. Het laden van film in een rigid body packfilm camera is heel simpel: Je haalt de klem eraf, opent de achterkant, duwt het pakje film erin, sluit de camera weer met de klem en trekt de zwarte beschermende folie eruit. Klaar!

Het nemen van een foto stelt ook niet heel veel voor. Zet het plastic schuifje op ISO 75 want ook al is FP-100c stiekem ISO 100, dat verschil merk je toch niet. Gok de afstand van jou tot je onderwerp, stel dat op de lens in en druk op de sluiter. Klik. Het witte papieren tabje aan de zijkant van de camera zit altijd vast aan de net genomen foto, als je daar aan trekt komt die foto uit de opening ernaast rollen. Tada! Stiekem blijkt dat treksysteem trouwens echt ontzettend ingenieus te zijn, maar daar merk je als gebruiker verder heel weinig van. En dat zijn natuurlijk de beste uitvindingen.

Het eerste boeiende onderwerp wat ik vanaf de fotowinkel tegenkwam was de Tivoli Vredenburg. Klik, trek, rol… en na twee minuten wachten – hoera voor de ingebouwde keukenwekker – mocht ik de foto opentrekken:

Eerste packfilm testfoto peelen...

En daar was ie dan, m’n eerste packfilm foto van de gevel van de nieuwe Tivoli:

Tada! Packfilm picca van de Tivoli Vredenburg ????

Wat me meteen opviel was hoe anders deze ervaring was dan de eerste keer dat ik schoot met Impossible film in mijn Polaroid SX-70. Het grote verschil? Dit spul werkt wel goed.

Ik wil niet lullig doen, want Impossible heeft natuurlijk ook een flinke kluif gehad aan het opnieuw maken van Polaroid’s integral formule met de chemicaliën die tegenwoordig nog verkrijgbaar zijn. Maar je merkt wel meteen dat Impossible’s chemische brouwsels eigenlijk in een soort permanente beta zitten, terwijl Fuji’s film al decennia lang in deze vorm geproduceerd wordt en precies werkt zoals het ooit bedoeld was.

Resultaat eerste pakje Polaroid packfilm!

M’n eerste pakje heb ik meteen opgeschoten en ik denk dat ik de komende tijd nog wat film ga bestellen. Ik vind de resultaten mooier dan de Impossible film die ik tot nu toe geprobeerd heb en het opentrekken een stuk leuker dan het half uur wachten tot de foto op een Impossible frame verschijnt. Ook de prijs bevalt beter: Impossible kost 2,50 euro per foto terwijl Fuji’s film maar 1 euro per foto kost. Nog steeds niet goedkoop, maar zeker niet het niveau kapitaalvernietiging waar Impossible voor staat.

FP100C-negative

Ook een leuk detail is dat de negatieven uit FP-100c film terug te halen zijn nadat de foto gemaakt is. Als je het overgebleven stuk film even laat opdrogen kun je met wat bleek en een beetje geduld de zwarte coating en de resterende chemische meuk eraf halen. Na het schoonmaken hou je een filmnegatief over met een gigantische 8,5×10,8 centimeter afmeting. Zelfs mijn medium format negatieven zijn maar 6×6 centimeter. Helaas blijft zo’n Colorpack verder een plastic speelgoedcamera, dus het is niet alsof er echt een ongekende wereld aan detail in het negatief verborgen zit, maar dit lijkt me supertof om mee te experimenteren.

Freelens camera

Misschien is dat ook een goede motivatie om op zoek te gaan naar een betere packfilm camera, want als ik ‘m vaker ga gebruiken zullen de limitaties van de plastic fantastic me vast snel tegenstaan. Optisch gezien hebben de betere modellen een glazen lens, wat voor beduidend scherpere foto’s zou moeten zorgen – dan wordt zo’n 8,5×10,8 negatief wat je in kunt scannen opeens wel boeiend. Met uitzondering van de rigid body Colorpack II zat die glazen lens alleen in een aantal vouwende modellen. Een goed overzicht van de Polaroid modelnummers en bijbehorende uitvoering kun je hier vinden. De mooiste zijn de volledig metalen modellen met Zeiss Ikon rangefinders – de 250, 350, 360 en 450 types – maar daar wordt ook meteen de hoofdprijs voor gevraagd. De iets lagere modellen met Polaroid’s eigen rangefinder, zoals de 240, 340 en 440, zijn vaak slechts een fractie van de prijs van de Zeiss versies. Hmmm… Tijd om eBay maar weer eens af te zoeken!

Best Kept Secret 2015

Best Kept Secret was mijn eerste festival van 2015: geen geweldig weer, maar zeker wel wat mooie bands meegepakt. Een klein verslag!

Dit was voor mij een festival vol met eerste keren. Eerste keer Best Kept Secret. Eerste keer zien voor bijna al deze bands. Eerste keer in een tentje, want normaal gaan we met een vouwwagen naar festivals maar die is na jaren intens gebruik nu toch echt overleden. Eerste keer een festival zonder dat ik alcohol drink – ik ben weer eens strak op dieet. Eerste keer een festival met zoveel Belgen (Tilburg is voor ze om de hoek). Eerste keer een festival met RFID bandje in plaats van muntjes. Eerste keer verstandig zijn en oordopjes gebruiken – nouja, bij de bands waar het je verder toch niks kan schelen. En let’s face it, je wordt ook ouder en dat merk je: doorfeesten tot de vroege ochtend om na een powernap vervolgens ook weer fris te knallen bij het eerste bandje zit er gewoon niet meer in. Dus ook een eerste keer niet elke nacht doorgaan tot het bittere eind, en een eerste keer op zondag al weer terug naar huis.

Ik ben er nog niet helemaal over uit wat ik van BKS vind. De locatie is top, line-up was leuk, maar het weer viel tegen en door mijn dieet was ik zowel op eet- als drankgebied niet helemaal aan het meedoen. Ik was eigenlijk de eerste dag gewoon permanent koud, ondervoed en nuchter en daardoor zelfs ronduit chagrijnig. Naarmate de dagen vorderden werd het beter maar deze ervaring kan – ook door eigen toedoen – nog niet tippen aan een Lowlands voor me.

BKS15plattegrond

Met een zonnetje erbij is het BKS terrein echt prachtig. Bomen met fijne schaduw aan de ene kant, zand en water om in te chillen aan de andere kant. Het nadeel van het verder gezellige kleine terrein van BKS is dat je je daadwerkelijk kunt vervelen. Iets wat ik niet gewend ben na al die jaren Lowlands, wat groot en immens is maar waar je elke 100 meter lopen altijd wel iets nieuws boeiends gevonden hebt. Ik zat best wat momenten bij BKS een beetje stil om me heen te kijken met zo’n gevoel van “Is dit het nou?”. De altijd perfect op elkaar aansluitende programmering tussen podium 1 en tent 2 zorgde er ook voor dat je vaak netjes tussen die 2 plekken heen en weer bleef lopen, met veel minder verspreiding over het terrein dan ik gewend ben.

Het eten bij BKS wordt altijd de hemel ingeprezen om z’n speciale foodtrucks en stands, maar ik kan me daar niet echt in vinden. Ik ben groot fan van foodtruckfestivals, maar dan geef ik een klein fortuin uit om een dag speciale dingen te proeven als doel. Bij een muziekfestival heb ik al een fortuin uitgegeven met een ander doel, dus het eten op een festival mag nog steeds lekker zijn maar moet vooral genoeg energie geven om weer een paar uur te springen en feesten. Een optie als de hamburgers van de Burgermeester is daar prima voor. Maar als je serieus oesters en kreeft kunt halen op een muziekfestival gaat er volgens mij iets mis, ongeacht dat ik hipster scum en dus doelgroep ben.

Over die RFIDs bandjes wil ik meteen duidelijk zijn: superkut. Met muntjes kun je gewoon steeds van iedereen die wat te drinken wil een muntje krijgen en alles in één keer halen, en dan komt het financieel prima uit. Nu moet òf iedereen los halen, òf steeds per rondje grote bedragen gehaald worden van één armbandje en hopen dat het een beetje gelijk verdeeld was aan het eind van het weekend. Dat potpasje dat je kunt halen lost ook niks op, want gaat er nog steeds van uit dat je gezamenlijk bij elkaar blijft de hele tijd. Festivals zijn voor mij juist mooi omdat je van hot naar her kunt met die paar mensen die je smaak delen, maar dat hoeven niet bij elk optreden dezelfde mensen te zijn.

Anyways, genoeg geklaag. Liever start ik het verslag van wat ik gezien heb de afgelopen drie dagen, dat is namelijk een stuk positiever! Best Kept Secret festivalgangers lijken een stuk langzamer te zijn met het uploaden van videomateriaal dan ik bij Lowlands gewend ben; bij de bands dus vaak opnames van andere festivals om je in ieder geval een idee te geven hoe het was.

Zoals vanouds begon onze eerste festivaldag met alles opzetten en vervolgens rondhangen bij de tenten, biertjes drinken (Bavaria 0.0% witbier voor mij, ook even wennen) en bijpraten met festivalvrienden. Normaal doen we dat op donderdagavond, maar aangezien de BKS camping pas op vrijdag opent snoepte dit een aantal uur van de eerste dag af. De eerste act die we zagen was daarom het relaxte Klangstof in tent 3. Iets te relaxt misschien, maar een lekker makkelijk begin van de dag.

Eén van de vrienden koos helaas dit moment om nogal onwel te worden – combinatie van weken te hard werken en dan nu opeens enthousiast indrinken alsof je weer 19 bent – en moest even in z’n bed gelegd worden. Door het rondje naar de camping en terug misten we wat optredens maar kwamen we net op tijd weer terug om Circa Waves op het hoofdpodium te zien.

Circa Waves: supervet.

Ik had ze al eerder gehad als voorprogramma bij een optreden van de Libertines in de HMH. Normaal kunnen voorprogrammaband’s me helemaal niks schelen, maar zij waren echt leuk. Chille muziek, goed passend bij de vibe van de Libs. Het aanstekelijke T-Shirt Weather was de 3FM megahit een paar maanden geleden en sindsdien regelmatig op de radio te horen. Helaas was het niet daadwerkelijk t-shirt weather, dag 1 van BKS was echt fucking koud. Ik had de hele dag met een tshirt, polo en legerparka combi nog steeds kippevel.

Chet Faker

Daarom was onze next stop een stuk comfortabeler: Chet Faker deed daar zijn ding in de fijne, warme tent 2. Ondanks de warmte had ik hier nog steeds kippevel, maar dan van zijn soulstem over de kalme, trippy electronica beats heen. Een geweldige afwisseling voor de meer uptempo gitaarbandjes waar ik normaal op festivals voor ga.

Waar we voor kwamen: Libertines!!!

En dan de reden waarom we überhaupt voor dit festival kozen: de Libertines op het hoofdpodium. Zij zijn heilig voor mij; hun muziek de perfecte uiting van de 00’s Britse garagerock die ik haast verafgood. Als ik ooit weer een eigen band zou hebben dan zou ik zo willen klinken. Lange tijd gedacht dat ik ze nooit meer zou zien, want Barat en Doherty waren met flinke ruzie uit elkaar gegaan. Maar eind vorig jaar kwam de band na jaren toch weer bij elkaar en speelden ze weer een prachtige debuutshow in Hyde Park. Hun show hier in de HMH was top en ook op BKS waren ze weer aan het knallen.

Mooi extraatje: Doherty besloot tegen het eind van de show dat ze een nieuw nummer moesten spelen. Een echte scoop, want er is verder nog helemaal niks gelekt van het nieuwe Libertines materiaal. Het nieuwe Gunga Gin heeft een weird reggea/dub achtig couplet maar het refrein klinkt weer als de Libertines vanouds. Het wordt ook de eerste single van het nieuwe album, dus we gaan het vast vaker horen.

Na de Libertines doken we weer tent 2 in. Daar was Eskmo bezig, maar daar kon ik weinig mee. Ik respecteer de manier waarop ie live elke track in elkaar knutselt met willekeurige objecten en samplers/loopers – als hij een melodieus ritme weet te kloppen uit alle hoeken van een sneeuwschep is dat toch best een prestatie. Maar ondanks de interessante show stond ik aan het eind van de dag nog steeds helemaal stil.

Als alternatief voor Eskmo doken we tent 5 in. Daar was Pissed Jeans bezig. Dat was het ook niet helemaal voor mij. Als het om punk gaat blijft ik toch dat kutjoch die voor de meer melodieuze, poppy punkrock gaat. Dit soort punk herken ik gewoon te weinig in.

Cashmere Cat

Onverwacht tof vond ik juist de set van Cashmere Cat, weer in tent 2. Deze turntablist-turned-DJ/producer weet totaal van geen ophouden. Nummers lijken bij hem alleen door de selectie te komen als ze ergens een overdreven flinke build-up bevatten, en alles daarvoor en daarna is filler dus hoeft niet echt gedraaid te worden. Daardoor voelt het aan alsof je zo ongeveer elke minuut weer een nieuwe climax ondergaat. Er is in de hele set niks van opbouw of elegantie te vinden, maar het zorgt wel voor een verdomd leuk stukje knallen.

Grappig is trouwens dat als je z’n oude DMC (turntablist kampioenschappen) sets bekijkt, je ook al dezelfde energieke vibe voelt:

Na Cashmere Cat was het tijd voor mij om te slapen. Ik was nog steeds bevroren koud, ik had geen alcohol in m’n systeem en het geluid uit tent 3 en podium 4 klonken me weinig boeiend: liever wat slaap inhalen om de volgende dag meer te pakken.


Dag 2 opende relaxt. De rest van de mannen was tegen het sluiten van het festival pas gaan pitten dus kwamen rond de middag de tent uitgerold. Zoals altijd op festivals kwamen we ook nog eens langzaam op gang, dus misten sowieso de eerste paar namen van de dag. Met de kou van de eerste dag in het achterhoofd en een nog ergere voorspelling in het vooruitzicht koos ik nu voor de ’tis-echt-kutweer optie: t-shirt, dikke hoodie, voering in de legerparka en voor de zekerheid nog een plastic poncho mee.

John Coffey

Het eerste wat we zagen was John Coffey, voornamelijk bekend van het viral bier filmpje van Pinkpop. We hadden in de auto onderweg een paar nummers geluisterd en dat klonk op zich wel prima. Vertwijfeld keek de zanger na de opening de tent in en vroeg letterlijk “Hoeveel van jullie zijn gekomen om te zien of ik nòg een biertje kan vangen?”. Achterin de tent, waar wij stonden, gingen niet geheel onverwacht heel veel handen omhoog. Of hij er nog een ving hebben we uiteindelijk niet meer gezien, want het klonk toch niet echt zoals in de auto en na een paar nummers gingen we door.

Hinds

Temples speelde op het hoofdpodium en daar ging een groot deel van m’n groep heen, maar dat vond ik niet zo boeiend dus ik ging zelf even verder kijken. In tent 5 kwam ik één van de grote verrassingen van dit festival voor mij tegen: Hinds. Zo leuk. Hinds zijn vier superschattige Spaanse meisjes die zich voorheen Deers noemden, maar dat niet meer mochten omdat een andere band die naam ook al gebruikte. Hun sound is lo-fi ’60s jangle, een soort nostalgisch Beach Boys gevoel maar dan met girlpower vocals in plaats van gelikte mannenharmonie. Het ademt gewoon dat gevoel van zomer, van blauwe hemels en warme avonden op stranden tijdens eindeloze roadtrips. Ze hebben nog maar een paar singles uit, maar ik hoop dat er snel een album volgt.

Of Monsters And Men

Uit het niks klaarde de hemel opeens en verscheen de zon. En daar sta je dan, met je hoodie en je parka en zonder je zonnebril. Met een klein deel van de groep ging ik daarom terug naar de camping om voor iedereen wat kleding te wisselen en zonnebrillen te halen. Daardoor miste ik St. Paul & The Broken Bones, die me toch wel tof leken, maar was ik nog wel op tijd terug voor Of Monsters And Men.

Ironisch genoeg verdween hierna de zon ook weer, om de rest van de dag niet meer gezien te worden. Dat hele lopen was dus een iets minder zinvolle actie.

Death Cab for Cutie!

Van het grote podium liepen we weer terug naar tent 2. Death Cab For Cutie stond al eeuwen op de moet-ik-nog-eens-zien lijst. Niet dat ik ze nou zo uitzonderlijk vet vind, maar ze zijn wel één van de legendarische iconen van de indie scene. En Ben Gibbard, de man achter Death Cab, is ook de helft van The Postal Service – wel weer een heilige band voor mij. Ze speelden veel nieuw werk wat ik niet goed ken, maar wel allemaal perfect uitgevoerd.

Balthazar

Onverwacht tof: we zaten na Death Cab te chillen op de heuvel naast het hoofdpodium met weinig zin om meer te doen dan uitrusten, biertjes drinken en vrouwen kijken. Maar de klanken die we achter ons hoorden waren toch interessanter dan gedacht. We doken het publiek in die bij Balthazar vooraan stonden, om het wat beter te horen. Superstrakke arrangementen met zoveel gelaagdheid van zang en instrument. Ik had nog niet eerder van deze Belgische band gehoord maar ga ook zeker hier meer van luisteren.

Vaccines!!!

En toen kwam het volgende hoogtepuntje van het festival: the Vaccines! Die stond al een tijdje op de lijst, maar het was nog niet zo uitgekomen dat we die ook op een festival gezien hadden. Ze stelden zeker niet teleur. Na het bekende hitje Wreckin’ Bar eruit te knallen als tweede nummer ratelden ze even wat van hun rustige repertoire af, om daarna weer vol voor hun uptempo spul te gaan. Leukste pit die ik het hele weekend gezien heb, met ook daarbuiten een veld vol blije springende mensen.

Noel Gallagher!!

De albums van Noel Gallagher’s High Flying Birds ken ik eigenlijk niet. Ik was gigantisch Oasis fan als tiener, en kan elk nummer op Definitely Maybe, (What’s The Story) Morning Glory en Be Here Now meezingen. Maar na de eindeloze ruzies van de broertjes Gallagher was ik er een beetje klaar mee. Ik ken daarom ook niks van Liam’s Beady Eyes, en had stiekem weinig interesse in deze show. Maar dat veranderde vrij snel toen Noel’s nieuwe werk heel veel oud-Oasis invloeden bleek te hebben – ga ik zeker meer naar luisteren. De pareltjes van de avond waren echter wat Oasis klassiekers die ik niet had verwacht ooit af te kunnen strepen van de bucketlist, aangezien Oasis never-nooit-niet meer bij elkaar gaat komen. Champagnene Supernova, Masterplan en Don’t Look Back In Anger waren ge-wel-dig.

Gelukzalig na het zien van een paar van mijn favoriete Oasis klassiekers liepen we door naar podium 4 om nog wat uit te chillen. Huis-DJ St. Paul begon net te draaien en zette hitje na hitje op. Niet elke mix was heel netjes, maar dat vergeef je een man die van Ceasars Palace via DuvelDuvel naar Portishead gaat meteen – wij hadden een toptijd. Ik had eigenlijk nog Kiasmos (mooie minimale techno) en Kero Kero Bonito (weird-ass Britten die 8-bit melodietjes en Japanse raps bij elkaar mashen) op m’n lijstje staan om te zien deze avond, maar ik was wederom kapot en zonder alcohol om me gaande te houden was het om 2 uur ‘s nachts toch tijd om weer te crashen.


Dag 3 begon met een klein stortbuitje, waarbij werd bewezen hoe kut mijn 20 euro werptent van de Action precies was.

Ah zo goed waterdicht is mijn tentje dus. Gelukkig had ik mn spullen al eruit.

Maar fuck it, dat werd al snel goedgemaakt door het verschijnen van een puur zonnetje. Trui en jas mochten uit en ik kon eindelijk met t-shirt en een zonnebril op het festivalterrein rondlopen.

Alvvays

Ik starte de dag met Alvvays – uitgesproken als ‘always’ – een bandje met een lekkere jangly sound die goed te vergelijken is met Hinds. Ik heb daar blijkbaar een zwak voor, want ook dit vond ik geweldig. Dromerige indie met een mooie vrouwenstem kun je me altijd voor wakker maken. Een paar van de nummers deden me ontzettend aan Rilo Kiley denken, ook een van mijn favoriete bands – wiens zangeres meewerkte aan The Postal Service.

Wat het dus extra leuk maakt dat ik zo googlend een cover van dit nummer ontdek door Ben Gibbard, inderdaad die man achter Death Cab for Cutie en dus ook van The Postal Service. Hij is ook fan en zijn versie heeft meteen iets van een Postal Service tintje:

Na Alvvays zocht ik de rest van m’n groep op. Zij hadden net het terras-setje voor de worstenbroodstand gescoord: die heeft perfect uitzicht op het hoofdpodium maar zit relaxt dicht in de buurt van drank en eten. Met de volle zon daar op ons dak en het wandelverkeer aan festivalgangers om ons aan te vergapen waren we daar natuurlijk niet meer vanaf te krijgen. Het deel van onze groep die toch nog naar Kate Tempest was geweest zegt dat we een topfeestje gemist hebben, maar ik kreeg eindelijk die lading vitamine D die ik dit hele festival al miste dus dat vond ik een prima afweging.

Future Islands speelt daar ergens; ik blijf even hier in de zon liggen.

Future Island was prima te zien en horen vanaf deze locatie, dus het volgende uur hoefden we ook niet weg. ‘Tis niet echt mijn ding, maar respect voor de getergde stem die de zanger uit z’n strot weet te persen. Ik neem aan dat daar jarenlang misbruik van whisky en sigaren voor nodig was. Ik ben wel benieuwd hoeveel jaar hij nog een zangcarrière kan hebben.

Typhoon

Na genoeg opgeladen te zijn in de zon gingen we door naar tent 2. Ik was, om eerlijk te zijn, sceptisch over Typhoon. Er hangt voor mij een DWDD nasmaak aan, zo’n muzikant die daar een paar keer heeft mogen verschijnen, overdreven gehyped wordt en die heel zichzelf-hip-vindend Nederland dan automatisch geweldig vindt. Ja dat is heel hypocriet van me, maar fuck it.

Nou, ik had dat dus he-le-maal fout. Wat een topgast, wat een fucking mooie show, echt een van de betere feestjes van het weekend. Ik begon dit optreden helemaal achterin bij de bar, maar eindigde al springend en dansend ergens voorbij de eerste paal. De sfeer deed me heel erg denken aan de eerste keer dat ik Relax ooit live zag spelen op een bevrijdingsfestival in Wageningen; binnen nog geen 5 minuten was zelfs de saaiste lul opgezweept en sprong z’n longen uit z’n lijf. Zo ook hier in tent 2: niemand met een werkend gehoor stond stil. Nie-mand.

Royal Blood tijdens het eten.

Royal Blood was voor mij de laatste show van het festival. Ik zou eigenlijk ook Alt-J ook nog kijken, maar dat kwam qua vermoeidheid en rijtechnisch gewoon te slecht uit. Daarom tijdens het eten van één laatste burger bij de Burgermeester uitgebreid deze 2 jongens zich helemaal naar de tering zien spelen. Wat een muur van geluid voor maar 2 man, onbegrijpelijk. Ergens had dat wel wat weg van Blood Red Shoes, die ook met maar 2 muzikanten een oorverdovend lawaai kunnen maken. Maar de snerpende klanken van Royal Blood komen uit een basgitaar, iets wat ik zelf als bassist niet voor mogelijk had gehouden. Ik was eigenlijk ervan overtuigd dat hij White Stripes style een gitaar via een octave pedaal gebruikte om laag te kunnen gaan. Geweldig van genoten dus, ook al zaten we op een bankje te eten in plaats van voorin rond te springen.

En toen was het alweer tijd om naar huis te gaan. Mooie opener van mijn festivalseizoen, ondanks wat eerder aangestipte negatieve puntjes, en ik heb ontzettend zin gekregen in alle volgende feestjes die deze zomer komen gaan!

Headerplaatje gejat van de Best Kept Secret site.

Toshiba Flashair II en Shuttersnitch op een iPad

Hoe je ‘bijna’ instant foto’s van je camera kunt previewen op de iPad…

Bij tethering gebruik je jouw camera met een kabel verbonden aan een computer, zodat je meteen de foto die je net geschoten hebt kunt zien op een groot scherm. Zo’n instant preview is een stuk handiger dan achterop je camera kijken en hopen dat het uiteindelijk een beetje lijkt op wat het kleine schermpje laat zien.

Tethered Shooting

Het probleem van tetheren is natuurlijk ook meteen duidelijk: je zit met een kabel vast aan een computer. Als je een laptop hebt en een hele lange kabel valt daar nog wat voor te zeggen, maar het wordt toch lastig om een iMac mee te slepen naar een fotoshoot buiten.

Maar daar is nu een interessant alternatief voor: de iPad app Shuttersnitch, in combinatie met een SD-kaart waar ook WiFi op zit. De iPad maakt dan verbinding met de WiFi van de SD-kaart, om op die manier foto’s vanaf de camera naar Shuttersnitch te sturen en daar te bekijken.

teardown

Een iPad had ik al en Shuttersnitch was met één klik in de appstore gekocht – wel een prijzige app (€16,99) – dus het enige wat ik nog nodig had was zo’n SD-kaart. Er zijn een aantal verschillende merken beschikbaar, waaronder de Eye-Fi, PQI Air, Transcend Wifi, Trek Flu, Toshiba Flashair en de ezShare WiFi. Mijn lijstje met eisen was simpel:

  • Minstens 16gb opslagruimte
  • Minstens class 10 snelheid
  • Geen problemen met Magic Lantern (een alternatieve firmware voor Canon camera’s)
  • Geen problemen met Shuttersnitch
  • Laagst mogelijke prijs

toshiba-flashair-ii

Na een nachtje onderzoek kwam ik uit op de Toshiba Flashair II 16gb. Dit II model is in tegenstelling tot de oude I versie wel class 10, en omdat de nieuwe III is uitgekomen al voor 30 euro verkrijgbaar. Dat is een stuk goedkoper dan alle concurrenten (de Eye-Fi’s vallen overigens dubbel af omdat ze niet met Magic Lantern kunnen samenwerken). De Flashair heeft ook een eigen gratis iOS app, maar die wordt door iedereen afgeraden.

shuttersnitch

Het werkend krijgen van de combinatie van Flashair, iPad en Shuttersnitch bleek nog wel vrij lastig. Een aantal tips:

  • Update voor het eerste gebruik de firmware van de Flashair.
  • Om de iPad goed te laten verbinden met dit WiFi netwerk moet je enkele instellingen veranderen.
  • Stel bij Shuttersnitch in dat de app met een Flashair verbinding moet maken.
  • Stel je camera in om zowel in RAW (voor jou) als JPG (voor Shuttersnitch) op te slaan.
  • Zorg ervoor dat Shuttersnitch alleen de JPG bestanden opent, en niet de RAW, door de optie ‘Accept JPEGs only’ aan te zetten.
  • Laat je camera de JPG maken in de kleinste resolutie die je iPad-scherm vult. Op mijn Canon 60D bijvoorbeeld kies ik voor optie S2 (1920×1280) in plaats van L (5184×3456), omdat mijn iPad Mini maar een resolutie van 1024×768 heeft.
  • Om onduidelijke redenen sloeg mijn camera de foto’s op in een bestaande map van de Flashair, en de Flashair wou weer geen JPG’s versturen vanuit die map. Ik moest zelf op de computer een Canon style folderstructuur aanmaken op de Flashair om dat te verhelpen.

Een beetje gedoe, maar als het eenmaal werkt is het super simpel: aan het begin van een nieuwe shoot start je jouw camera. Na een aantal seconden is de Flashair dan ook opgestart en is er rondom de camera een nieuw WiFi netwerk aanwezig. Verbind je iPad met dit netwerk en open Shuttersnitch. Start in die app een nieuwe collectie voor deze shoot – als je niet in een collectie zit weigert de app foto’s te ontvangen. En voila: vanaf dat moment kun je foto’s schieten en ze vervolgens draadloos op de iPad bekijken. Met mijn instellingen zitten er zo’n 8 seconden tussen het schieten van de foto en het verschijnen ervan op de iPad.

Meteen een wireless preview van m'n dSLR pics op de iPad! Supervet.

Die 8 seconden was ik eigenlijk best teleurgesteld over – het is uiteindelijk nog best veel, en zeker niet zo ‘instant’ als bij bedrade tethering. Het zou ook alle snelheid uit een shoot halen, zeker als je modellen hebt, om steeds 8 seconden te moeten wachten voordat je de volgende foto schiet. Wat wel goed kan is in korte series schieten, om vervolgens op de iPad door een stuk of 20-30 foto’s te bladeren om te kijken of je globaal veranderingen wilt maken.

collection

Maar het zou ook heel goed kunnen dat je veel minder last hebt van die 8 seconden als je een nieuwere iPad bezit. Een groot deel van die tijdsduur lijkt namelijk niet besteed te worden aan de overdracht, maar aan een aantal berekeningen die de iPad moet uitvoeren voordat de foto getoond wordt. Mijn iPad Mini loopt ondertussen al aardig achter met slechts een A5 (dualcore 1ghz) processor, terwijl de nieuwste Air2 een A8X (triplecore 1,5ghz) heeft. Een snellere berekening zou betekenen dat de foto ook veel sneller getoond wordt – al kan het retina scherm van de Air2 weer grotere JPG’s aan, die er weer langer over doen om verstuurd te worden. Alsnog lijkt het me de moeite van het testen waard.

benchmark

Niet alleen op de iPad moet je wachten, ook op de computer is de Flashair geen snelheidsduivel. Het class systeem voor SD-kaarten is een soort minimumspecificatie: het getal is het aantal MB per seconde dat de kaart minstens aan kan. Class 10 is daarom minstens 10MB per seconde lezen en schrijven. Maar officieel gaan die classes niet verder dan 10, terwijl iedereen al veel snellere kaarten maakt. Mijn normale SD-kaarten, de Sandisk Extreme III’s, kunnen volgens de fabrikant 45MB per seconde halen. De Flashair is volgens verschillende benchmarks wel een class 10 (al is niet elke review het daar mee eens) maar op z’n best nog niet eens half zo snel als m’n Extremes. Dat merk je meteen wanneer je de Flashair direct in je computer plugt om de RAWs te importeren; Lightroom doet er vergeleken met de Extremes 2 tot 3 keer zo lang over.

IMG_9872.jpg

Een van de eerste shoots die ik deed was de kamer van Aniek. Die had voor een advertentie goede foto’s nodig en die wou ik best voor haar maken. Een grote preview tijdens het schieten van dit soort foto’s blijkt extreem handig. Kleine ongewenste details kunnen gemist worden tijdens het aankleden van de ‘set’ en op het kleine scherm achterop de camera valt vaak ook niet alles op. Je kunt ongewenste elementen natuurlijk achteraf photoshoppen, maar het is handig als je met één zoombeweging op een iPad al meteen duidelijkheid kunt krijgen.

IMG_9820.jpg

Dus voor product- en huisfotografie, of andere projectjes waar niemand anders bij aanwezig is, maakt dat beetje vertraging op zich niet uit terwijl de combinatie wel veel voordeel oplevert. Maar wat als je te maken hebt met modellen? Ik heb ook drie shoots gehad waar ik deze combinatie juist met mensen heb gebruikt. Eerst waren er twee profielfoto shoots, voor Thomas en voor Anneke.

thomas

Bij Thomas werd de iPad vooral gebruikt om tijdens de shoot een indruk te krijgen van de voortgang. De iPad lag tussen ons in, op de grond, zodat we allebei tijdens het schieten de foto’s konden bekijken. Voor mij handig om op een groot scherm om de zoveel tijd mijn belichting te checken, voor hem goed om on-the-go een beeld te krijgen van zijn pose en look. Maar we stopten dus niet na elke foto de shoot om te kijken hoe die foto geworden was.

Voor Anneke was de iPad handig, omdat ze na de shoot meteen een selectie kon maken van foto’s die ze mooi vond en nabewerkt wou zien. Shuttersnitch heeft een simpel 1-tot-5 sterren systeem waarmee je elke foto kunt beoordelen en afgekeurde foto’s meteen al in de app wegfiltert. Via de SnitchSync plugin – die ik overigens pas na deze shoot ontdekte en nog niet zelf geprobeerd heb – kun je deze sterretjes vervolgens automatisch in Lightroom importeren. Superhandig. Hier kwam de iPad dus aan het eind van de shoot pas aan bod, tijdens het nemen van de foto’s keken we er niet eens naar.

De laatste shoot was een theaterworkshop op locatie voor Buro Bis. Er was gevraagd om een aantal sessies in verschillende zalen in het pand te fotograferen. De iPad bleef daarbij de hele tijd op één plek bij m’n gear liggen, terwijl ik heen en weer rende om alle foto’s te nemen.

a-workshop-12

Hier kwam meteen een limitatie van deze oplossing om de hoek kijken. De SD-kaart heeft een miniscule antenne, die bij mij ook nog eens wordt omringd door een zware metalen camera. Het bereik van het WiFi netwerk is daardoor op z’n best een paar meter. Loop je iets te ver van de iPad vandaan, dan wordt de connectie verbroken. Op locatie is dat iets minder vervelend, want daar heb je waarschijnlijk geen andere netwerken op de iPad ingesteld en maakt de iPad automatisch weer contact zodra je terugloopt. Maar thuis is dat extra irritant: de iPad schakelt dan meteen over op je normale WiFi netwerk en maakt niet automatisch weer contact met je camera. Die moet je dan handmatig aanpassen. Bij het opnieuw maken van contact met de SD-kaart krijg je eerst van Shuttersnitch de vraag of je de in de tussentijd gemaakte foto’s ook nog wilt downloaden. Weer een handmatige stap, waarbij je dan ook staat te wachten tot alle missende foto’s zijn doorgestuurd voor je weer nieuwe foto’s kunt previewen.

Door dit probleem maakte ik tijdens deze workshop shoot eigenlijk nauwelijks gebruik van de iPad. Ook naderhand bleef de iPad ongebruikt, want er waren vele honderden foto’s geschoten. Veel van die foto’s waren onderbelicht door het gebrekkige licht op de locatie, maar dat zou prima naderhand op te lossen zijn in Lightroom. Nu nog die honderden foto’s importeren en nalopen om alles een beoordeling te geven zou dus niet alleen vervelend zijn, maar ook geen goede weergave geven van het uiteindelijke te verwachten resultaat.

We zijn er dus nog niet helemaal met deze combi. Al met al ben ik zeker overtuigd van het nut van een draadloze preview, maar ben vooral nog niet tevreden over de snelheid – zowel die van het draadloos schieten over WiFi, als die van direct kopiëren naar de computer. Misschien dat andere of nieuwere kaartjes sneller zijn, de Flashair II is natuurlijk al wat ouder. Maar volgens het persbericht van Toshiba over de III zijn er daar vooral in de interface en tools vernieuwingen aangebracht, niet in de hardware. Ik denk daarom dat deze oplossing vooral geschikt is voor de enthousiaste hobbyist, en het nog een tijdje zal duren voordat dit terecht komt in de workflow van een semi-pro.

PS. Als je wat technischer aangelegd bent kun je in plaats van de Flashair ook een Transcend WiFi kopen. Werkt hetzelfde met Shuttersnitch, maar dankzij vrij matige beveiliging zijn deze gehackt en leuk om mee te experimenteren. Ooit een webserver op een SD-kaart willen hebben? Nu kan het!

Boomcase v2

Combineer een vintage danskoffertje, een versterkertje en accu uit China, een autospeaker en wat losse kabeltjes en onderdelen… en wat krijg je dan?

Vorig jaar heb ik, als leuk projectje voor in het park en op festivals, mijn eigen boomcase gemaakt. Een speakerkoffer met ingebouwde accu waarmee je een flink aantal uur op degelijk volume muziek kunt luisteren. Vergelijkbaar met die kleine Bluetooth speakertjes die nu populair zijn, maar dan wel met volume, accuduur en genoeg ademruimte om goede audio kwaliteit te leveren.

Een vriendin, die haar eigen theaterbureau begonnen is, keek het afgelopen jaar al een paar keer verlekkerd naar mijn creatie. Zoiets zou ze ook wel kunnen gebruiken als ze op locatie geluid nodig had, want zo’n koffer heeft een stuk creatievere vibe dan een standaard PA set. Met haar verjaardag in aantocht leek het me supertof om nog zo’n boomcase te bouwen en als cadeau te geven!

Maar mijn eigen koffer weegt, nu alles ingebouwd is, een ruime 8 kilo. Ik vind hem zelf eigenlijk al te zwaar om mee te nemen naar het park, laat staan als ik ‘m steeds voor m’n werk zou moeten meenemen naar verschillende locaties. In plaats daarvan werd het mijn doel om een zo licht mogelijke boomcase te bouwen. En nu, een paar weekjes later, ben ik best tevreden over het uiteindelijke resultaat!

IMG_0521.jpg

IMG_0523.jpg

Not too shabby. Of, eigenlijk, juist heel erg shabby en daarmee dus perfect de vintage look die ik zocht te pakken.

IMG_0552.jpg

Bij één van de lokale kringlopen vond ik een oud koffertje van leer en canvas over een dun houten binnenwerk, waar met legerstencils in het wit DANS op was geschilderd. Lekker licht, maar door het binnenwerk wel stevig genoeg dat ik zelf geen zware binnenkant meer hoefde te bouwen. Waarschijnlijk was de originele eigenaar leerling bij een dansschool en nam hij hierin zijn spullen mee? In ieder geval leek dit me perfect voor theaterworkshops, met een zeer gepast commando erop.

IMG_0555.jpg

Het prachtig verweerde canvas en het door ouderdom en gebruik aangetaste patina van het leer was ook exact wat ik in m’n hoofd had toen ik een koffertje zocht voor dit project. Ik had echt niet iets met meer karakter kunnen vinden.

IMG_0536.jpg

De handgreep is misschien het mooiste deel van deze koffer, gemaakt van leer gebonden om een kurkvorm. Het leer is door het jarenlang vasthouden een prachtig donker cognac tintje geworden. Ook het oude merkje – dit is original bagage van Giovanni – is een onmiskenbaar fraai detail.

IMG_0553.jpg

Bij het ijzerwerk zijn niet alle popnagels nog aanwezig, sommige zijn door de jaren heen al afgebroken. Ik heb zelf geen popnageltang dus heb met kleine schroeven deze onderdelen opnieuw vastgezet. Deze DIY reparaties vallen niet ontzettend op, en voegen wat mij betreft juist wat extra charme toe aan de koffer. Hij is daadwerkelijk zo oud dat niet alle delen meer origineel kunnen zijn.

IMG_0541.jpg

Links en rechts zitten stoffen riempjes om ervoor te zorgen dat de koffer niet te ver open kan klappen. Deze waren beide kapot gescheurd, maar heb ik opnieuw vastgezet met een boutje en een moertje.

IMG_0544.jpg

En dan komt natuurlijk ook nog de technische kant van het verhaal, al valt zoals je hier kunt zien het heel erg mee hoeveel werk daar in zit.

IMG_0550.jpg

Ten eerste de accu. Mijn eigen boomcase draait op een gelaccu die eigenlijk bedoeld is voor scooters, maar dat ding is verschrikkelijk zwaar en vereist extra electronica en een ingebouwde druppellader om er veilig gebruik van te maken. Een veel lichter alternatief zijn deze blauwe lithium-ion accu’s uit China. Het voordeel is dat ze betaalbaar en makkelijk in gebruik zijn. Het nadeel is dat het Chinees spul is: het werkt, zolang het werkt. Garanties bestaan niet en de beloofde capaciteit mag je sowieso door drie delen. Maar voor het doel, een zo licht mogelijke koffer, vond ik dat een acceptabele afweging.

IMG_0530.jpg

Door de laadaansluiting te verplaatsen naar de buitenkant kan de accu ook opgeladen worden zonder dat je kabels in de koffer zelf hoeft te pluggen.

IMG_0545.jpg

Om vervolgens met die stroom ook daadwerkelijk muziek te maken heb je een versterker nodig. Populair voor dit doel zijn deze Chinese TA2024 versterkers. Het is een simpele, lichte class D versterker die met vrij weinig vermogen al veel en kwalitatief acceptabel geluid weet te produceren. Om goed te werken met zwakke bronnen als telefoons en mp3 spelers moet je nog wel een kleine aanpassing maken door er 2 extra weerstanden op te solderen.

IMG_0542.jpg

Naast de versterker moet je speakers hebben om geluid te maken. Mijn keuze viel op een Pioneer autospeaker. Autospeakers zijn gecombineerde speakers – naast een woofer voor midden en lage tonen hebben ze in het midden ook een tweeter voor hoge tonen zitten. In een normale speaker zijn dit 2 aparte onderdelen, met extra electronica om het juiste signaal naar elk deel te sturen. Een autospeaker is door de combinatie een stuk simpeler voor zo’n koffer dan een normale speakerset. Door ook maar één autospeaker te gebruiken wordt het gewicht weer gehalveerd. De koffer is toch niet zo breed, waardoor er geen overtuigend stereobeeld kan worden neergezet. Mono is dan prima voor dit doel.

IMG_0557.jpg

Met twee speakers wil je een stereo signaal, maar met slechts één speaker heb ik een mono signaal nodig. De nette manier om dat te doen is door zowel het linker als rechter signaal met elkaar te combineren, te ‘summen’. Daarom soldeerde ik van een paar weerstandjes een hele simpele stereo-mono summer. Dat zit verborgen in de blauwe krimpkous van de minijack aansluiting.

n109fig2

IMG_0547.jpg

Ook de minijack aansluiting is naar de buitenkant van de koffer geplaatst. Op deze manier kun je met een standaard koptelefoonkabel een telefoon, mp3speler of andere geluidsbron aansluiten zonder dat de koffer open hoeft.

IMG_0540.jpg

Door de binnencirkel van de kap af te tekenen op het deksel van de koffer had ik een goede lijn om te volgen met de decoupeerzaag. Ik maakte me hier nog zorgen om, want dit ging een paar keer mis bij mijn originele boomcase, maar nu ging het meteen goed. Na het uitzagen van de cirkel paste de speaker zonder enig probleem in het gat.

IMG_0532.jpg

De origineel zwarte kap spoot ik perfect wit om beter te matchen met de witte DANS letters. Maar het pure wit blijkt helemaal niet te passen bij de verweerde looks van de koffer. Met wat schuurpapier maakte ik daarom de verflaag grover, spoot er een lichte zwarte waas over voor textuur en gebruikte koude koffie (!!!) om een aantal bruine vegen toe te voegen. Het resultaat lijkt misschien wat viezig, maar past daardoor veel beter bij de rest van de koffer.

IMG_0531.jpg

Om de kap helemaal af te maken wou ik het logo van haar theaterbureau op de plek hebben waar origineel het Pioneer logo zat. Door het logo op transferpapier te printen kreeg ik een decal, zo’n watersticker die je misschien nog wel kent van de plastic modelbouwkitjes uit je jeugd. Na de decal vochtig te maken kun je hem – als je een beetje behendig bent – zo van het papier schuiven op het plastic. Ik ben helaas niet zo behendig, dus had 12 pogingen nodig voor het een beetje wilde lukken. Maar een paar lagen blanke lak later zit de decal nu fraai en onzichtbaar op de kap.

IMG_0563.jpg

En toen was ie al af! Ook dit keer had ik het niet kunnen doen zonder de hulp van de GoT leden die in het Krat- en Kistradio topic posten. Als je nog getwijfeld hebt over het zelf maken van zo’n speakerkoffer na het zien van mijn vorige post, laat die twijfel dan varen: het hoeft helemaal niet zo moeilijk te zijn. Zoals je in deze post kunt zien kun je ook met weinig onderdelen een simpele en lichte, maar nog steeds erg gave, boomcase bouwen!

DIY Sous-Vide Machine (English translation)

An English translation of my sous-vide blog posts. Find out what sous-vide cooking is and how to build your own DIY sous-vide machine!

Though my blog is usually in Dutch, a request for an English version of my sous-vide posts was made as the Google Translate version was hilarious yet decidedly uninformative. I’ve compiled both parts into a single blogpost for your enjoyment. It starts off with some background on my own first experiences with sous-vide, so if you just want help creating your own Rex-C100 PID based sous-vide machine keep scrolling down until you hit the halfway point!

The problem of cooking large pieces of food in a pan is that heat is not transferred equally to every part. Everyone has had that strip of meat that is just the perfect medium-rare on the inside, but scorched black on the outside. Or the fish filet that has the perfect crust, but is still frozen solid when you cut it open. Sous-vide, French for ‘under vacuum’, is a method that tries to solve this problem. Using sous-vide your food is sealed in a vacuum bag and submerged in water. The water is set to a specific temperature and the food is kept there until it reaches that same temperature. Using this method your food reaches its perfect level of doneness without any burnt parts, while the vacuum bag keeps any of the taste from being lost to the water. According to some top chefs you’ll get the perfect steak if you leave it in a sous-vide machine for 2 hours at an ideal 55 degrees Centigrade.

Screenshot 2015-01-09 03.51.10

I’d tried something like that before: Timothy Ferris’ book 4 Hour Chef has a sous-vide recipe, where you spend one and a half hour next to a stove with a thermometer in a pan of water. The water contains a freezerbag filled with chicken that needs to be kept to 63 degrees Centigrade. If the temperature drops below 63, turn up the stove. If it rises above 63, turn it down. A great idea, until you spend the next one and a half hour being extremely OCD afflicted. Wasn’t planning on doing that again.

Anova_2013 0264_v1

Instead of staring at a stove you can pick a pre-built sous-vide machine, like the much praised Anova One. It doesn’t get simpler than this all-in-one device: fill a pan with water, put the Anova in, set the temperature – done! The Anova regulates everything without you ever having to touch it again. That ease just comes at a cost of about 200 dollars…

volkskrant

And that’s when I saw this article in the Volkskrant. Creating your own sous-vide machine by combining a PID (Proportional-Integral-Derivative) controller with a heatsource like a watercooker. The PID, an industrial thermostat, learns how turning the cooker on and off influences the temperature over time. For example, when you normally turn a cooker off the heating element will remain warm and keep heating the water for a while. The PID can learn from this overshoot behaviour and compensate for it in the future, turning the cooker off early so the remaining heat brings the water up to the desired temperature instead. By compensating constantly the PID can keep the temperature within a very precise band. And any heatsource can be used instead of a watercooker – rice cookers and deep fryers are popular too – as long as the PID learns to compensate for the specific behaviours of your setup.

rexc100

The PID the Volkskrant uses is the Chinese Rex-C100, available at Amazon for 30 euro according to the newspaper. For that money you don’t just get the PID, it includes a thermocouple (the thermometer) and a solid state relay (the switch that turns your heatsource on and off) that are also necessary for the project. That might sound cheap, but it’s actually twice as much as they would’ve paid if they had just bought it directly from China: Banggood sells the same kit for 14 euro. So of course I had to try it out.

‘Try’ being the operative word, as it turned out to be a bit harder than I expected. What should’ve been a 1 hour project stretched to a few days I spent reading the indiscernible Chinese manual, trawling through conflicting online guides and scouring for a few missing parts. Suffice to say it was worth it, because my efforts resulted in this majestic creation:

IMG_9769.jpg

Uh, yeah, so that’s a bit of an anticlimax. But believe me, it works better than it looks. The ugly plastic storage box still keeps the parts dry, which is kinda nice considering there’s 230 volts running through them, and because I used a standard outlet I can plug in any heatsource I want. Sure, I could have used an actual project box, I could have used a nice built-in power connector, but really – what would’ve been the fun of that?

IMG_9776.jpg

So what’s the first thing we’re gonna try? Eggs!

Not just because that’s what the original Volkskrant article was about, but also because it’s a standard test for any DIY sous-vide machine. By setting it to the perfect temperature you can make eggs where the yolk has this custard structure – not hardboiled, not soft, something in between that’s not attainable in any other way. But it’s a very precise temperature, much more precise than in any other sous-vide recipe. If your sous-vide machine deviates from the set temperature too much you’ll get a regular hard or soft egg, which would be kind of shit for all the effort you put in. Serious Eats has a lengthy article that I would recommend to everyone.

I set the PID for 64 degrees Centigrade, because according to this video from a sous-vide machine brand that’s the perfect temperature to create custard eggs. After a brief heating period the cooker was at the desired temperature – but was the PID right? For an extra quick check I used my cooking thermometer.

IMG_9778.jpg

Hmmm, 63, not bad. One degree lower than the PID says it is. Of course the problem is that I don’t know if my cooking thermometer is right either. And more importantly, both are rounding the temperature down to whole degrees. Maybe the cooking thermometer thinks it’s 62,5 degrees, while the PID thinks it’s 64,4. Or maybe the thermometer thinks it’s 63,4 degrees and the PID 63,5. No clue.

But that can wait. After the recommended 55 minutes I took out my egg, peeled it and cut it in half…

IMG_9781.jpg

Okay, that was not what I expected. According to the online guides this should be safe to eat, even though it looks like liquid salmonella. After the first few cautious bites it turned out to be quite tasty, like an extremely soft egg. But not the custard egg I was promised.

Serious Eats says time is also a factor. Maybe 55 minutes in my DIY setup wasn’t long enough? To test that I kept the next egg in the cooker for 2 and a half hours. So after more waiting, peeling and cutting I got…

IMG_9782.jpg

Better I guess, but still very liquid. Tasted good and the yolk was creamier, it could even be spread on toast like suggested in the video. But this still looks too much like liquid salmonella for my tastes.

I did one last attempt with an egg, but now at 66 degrees instead of 64. In the Serious Eats article that was the temperature at which the picture of their test eggs looked most like the description of a custard egg. 55 minutes later I cracked it open and…

IMG_9783.jpg

Wow. It’s just 2 degrees of difference, but suddenly the yolk has this custard-like appearance and the white actually retains an egg-shape after cutting. This is kinda cool.

IMG_9789.jpg

But a test with eggs is not a true test. Meat is the only true test! A nice piece of steak, to be exact. Serious Eats has another lengthy article you should read. According to them 45 minutes at 55 degrees should be sufficient to get the perfect medium-rare piece of cow on your plate. But because I’m becoming a bit wary of my PID, it might be reading higher temperatures than I’m actually getting, I decide to make it 1 hour at 57 degrees just in case.

IMG_9788.jpg

I had a piece of steak still lying in the freezer, and the plastic it was already vacuumsealed in was fine to use for sous-vide. This did mean that I couldn’t add salt and pepper or other spices to the steak, but it’d be fine for a first test. After defrosting in the fridge the steak went into the cooker and an hour later…

IMG_9791.jpg

Okay, that doesn’t look very tempting, but hey, it’s a work in progress. Maybe it’s better if we take it out of the bag.

IMG_9794.jpg

No. That’s definitely not better.

IMG_9798.jpg

Luckily I’d read beforehand that you need to finish any sous-vide meat in the pan, so I knew what I was getting into. 1 minute at your highest scorching heat on both sides will give you enough maillard reaction to get you that nice traditional brown steak crust. After that I sliced it open to take a look…

IMG_9804.jpg

Goddamn, nice. I’m drooling just seeing these pictures again.

IMG_9806.jpg

So tender. So tasty. So unexpectedly good for a first test. So worth getting redflagged as a bombmaker on the internet over.

Now I bet you want to make your own sous-vide machine after seeing these pics.

I’m gonna start you off with a warning: if you’ve never played around with electricity before, find someone who has. This isn’t a hard project at all, but you’re still working with 230 volts. That’s kinda different than the 5 or 12 volts you’re used to fucking around with inside your computer. And because this machine will help you cook it’ll always be near large reservoirs of water. Water and electricity: not best friends.

Sous-vide machine van binnen. Don't mention the wiring...

I refrained from making an actual tutorial because my version takes a few shortcuts that would probably get noobs zapped. You can definitely build a safe version with the information I provide, but if you’re unsure ask someone with more experience. I am, after all, an electrical engineering dropout. You really shouldn’t trust me on this.

Also: I’m not responsible for any self-electrocution, house-burnings or other creative ways in which you’ll win a Darwin award. There are more stupid things to die over than the perfect steak, but I’m pretty sure it ranks up there.

Now that that’s out of the way…

rexc100

The set you buy at Banggood contains a Rex-C100 PID, a type K thermocouple and a Fotek 40A solid state relay (SSR). Though the SSR and PID do not have ground connections you can set the rest of the wiring up with a ground, which would be a good idea considering the amount of water this thing will be near.

IMG_9763.jpg

The SSR needs a fuse and a heatsink according to the specs to handle more than 5A, which are not supplied in the set. Fotek makes a fitting heatsink with the right dimensions and pre-drilled holes, but any heatsink with sufficient surface would be enough to handle the heat. So I just went to my local electronics shop and bought the first heatsink that was bigger than the SSR and had holes in the right places. Cleaned them up with some 96% cleaning alcohol and used thermal paste to connect the SSR to the sink. I kinda forgot about the fuse, you probably shouldn’t.

IMG_9765.jpg

Yeah, the drilled holes weren’t quite in the right place for this SSR. Not optimal, but meh.

kthermo

The thermocouple in this set is a type K and can be used to measure temperatures from 0 to 400 degrees Centigrade according to the specs. I was surprised to find that the thermocouple was actually waterproof and usable for my sous-vide project, though in the future it might make more sense to get a better thermometer. An RTD type for example could measure the temperature to a decimal. It’s important to know that you can’t extend thermocouple cables with any other wiring, because you’d be changing the voltage differential that’s used to measure temperatures. The maximum distance between your PID and your water reservoir is the length of the thermocouple cable.

c100

The Rex PID series is officially a product of the Japanese RKC Instruments, but I have the feeling that this version from China is a cheap knockoff. On eBay you can get the cheapest version of the Rex for $1.99. No problem, knockoff or not, it still does what it’s supposed to. The manual you get in the set is in useless Chinese and the English manuals you find online are extremely confusing. There are multiple versions which differ per reseller, and they appear to be describing alternate versions of the C100 with different menus and settings. The only manual I found that seems to describe the C100 I have is this one. There’s a few strange translations in there, but for the most part it’s perfectly understandable.

The C100 has a sticker on the side that will tell you the specific model. Because there are many variants of the C100 and it’s unclear if Banggood always puts the same one in every set it’s actually quite important to check this number. The meaning of every symbol is explained in the previously linked manual. My C100 is model REX-C100FK02-V*NN, where the -V is the important part. If you have an -M instead of a -V model the C100 has an internal relay built into the PID. The problem is that this internal relay can’t handle the power we’ll be running through it and is bound to fail, sooner rather than later. That’s why we use the external SSR with a -V model. If you accidentally acquired an -M model, you can modify it yourself.

Interesting detail: all of the online manuals, except the one I linked, have a wrong pinout. The pinout on the sticker on the side of your C100 is correct. The manuals tell you to hook up the power to pin 6 and 7, while in reality it needs to go on pin 1 and 2. Pin 6 and 7 are alarm pins and hooking up 230 volts to it would be a fine way to blow up your PID. Luckily, my version of the C100 has no alarm and has no pin 6 or 7, so I really couldn’t make that mistake.

As a heatsource I’m using a watercooker, so my heatsource and my water reservoir are combined, which would also be the case with a rice cooker or a deep fryer. But you could also use an immersion heater, or several of them in parallel, in a separate reservoir. Some people use immersion heaters and insulated iceboxes to retain as much heat as possible.

Wire it all up like this:

Wiring diagram Rex-C100 PID for sous vide use

Considering I’m not using a metal case I’m grounding the heatsink in this build, as it’s the only metal object I might accidentally touch. But if you’re using a metal case, I’d just bolt the heatsink to that (for better heat dissipation too) and ground the case instead.

Plug in the device and the PID will boot – you’ll see the the type of thermometer, the min and max temperature, followed by the standard PV/SV view. The upper number, the PV, is the measured temperature. If this says Err, oooo or uuuu something is wrong with (the wiring of) your thermocouple. The lower number, the SV, is your desired temperature value. The four buttons beneath that are the SET, SHIFT, DOWN and UP buttons. Press SET once to change the SV value. Use SHIFT to pick the number to change with UP and DOWN. Press SET again to save this value. That’s important: the PID will not save any changed settings, here or in the menus, until you hit SET again. If you picked an SV higher than your current PV the PID will start trying to turn on the heatsource. You’ll see OUT1 light up on the PID and the red relay light on the SSR turn on.

Screenshot 2015-01-19 23.12.35

The other settings of the PID are spread over 3 menus: the Parameters menu you get when you hold SET down for 3 seconds, the Functions menu (COD 0) that you get when you hold down SET and SHIFT both for 3 seconds, and the Constants menu (COD 1) that you get when you change COD to 0001 in the Functions menu. According to the manual there should be a COD 2 menu too, but that one is missing on my C100. It’s possible that you can’t enter the COD menus on your C100 at first. In that case you need to switch the data lock function, LCK in the Parameters menu. Set it to 1000 to access all menus.

Check and set the following values in the COD menus:

Define input as a type K thermocouple.
COD0 menu, SL1 set to 0000

Define input unit as degrees Celcius.
COD0 menu, SL2 set to 0000

Turn off all alarm functions.
COD0 menu, SL4 set to 0000
COD0 menu, SL5 set to 0000
COD0 menu, SL7 set to 0000

Set function to heating.
COD0 menu, SL6 set to 0001

Set max temperature to 400.
COD1 menu, SLH set to 0400

Set min temperature to 0.
COD1 menu, SLL set to 0000

Turn off Digital Filtering.
COD1 menu, DF set to 0000

This is important: the purpose of Digital Filtering is to remove small fluctuations from the measured temperature, but the function is built so badly in the C100 that it actually filters out large temperature deviations. Once reached the PV temperature shown will remain equal to the desired SV temperature, even though the actual temperature of the water is unstable. This means the system looks perfectly accurate when in fact you’ll be drifting many degrees. That’s unacceptable for sous-vide cooking, of course.

IMG_9774.jpg

Finally you need to let the PID automatically tune itself for your setup, which needs to be repeated any time you change heatsource or water reservoir. By using the autotune procedure the PID will turn your heatsource on and off repeatedly, so it can learn how your setup warms up and cools down over time. When it’s done the options in the Parameters menu will be automatically set. If you’re unhappy with the results you can override the parameters manually, but it worked perfectly for me. And I have no clue what the PID parameters actually do, so there’s that.

To start the autotune procedure: fill your reservoir with water, turn on the heatsource and place the thermocouple in the water. Set the SV to a sous-vide temperature like 60 degrees Centigrade. Go to the Parameters menu and set ATU to 0001. This will start the procedure when you exit the menu. The AT light will start blinking while tuning, the length of the procedure depends on your heatsource and reservoir. For me the PID was done in 15 minutes while using a 1,7 liter watercooker. When the procedure is finished the AT light will go out and the PV and SV should be at the same temperature. Congratulations, your DIY sous-vide machine is ready for use! Better start here to find out what you’ll be cooking tonight :D

Nieuwe avatar in low-polygon style

Een nieuw jaar, dus ook een nieuwe look…

Na een jaar lang m’n Polaroid selfie als avatar te gebruiken moest ik weer eens een nieuwe hebben. Normaal betekent dat een paar uurtjes met flitsers en m’n spiegelreflex kloten, maar ik was eigenlijk toe aan iets creatievers dan een usual headshot.

Toen ik dit effect van Polygon zag was ik meteen verkocht. Polygon is een gamingwebsite die op z’n about pagina profielfoto’s van alle schrijvers heeft in, hoe toepasselijk, low-polygon style. Polygons zijn tweedimensionale figuren zoals vierkantjes en driehoekjes; karakters in computerspellen worden gemaakt met 3d modellen die uit een mozaïek van polygons bestaan. Oude 3d spellen hadden nog niet zoveel rekenkracht ter beschikking en konden daarom maar weinig polygons gebruiken: daar komt de typische low-poly look vandaan. Gaming retro, maar ook weer niet zo retro als de 8-bit look dus.

Polygon About

Het effect zag er tof uit en kon niet zo heel lastig te bereiken zijn. Ik wou het eerst helemaal met de hand doen, maar gelukkig vond ik al snel de Triangulate Image app op Behance. Laad een foto in de app, zet puntjes op alle plekken waar een hoekpunt moet komen, en de app genereert automatisch een gekleurde mesh. Een stuk handiger dan elk driehoekje met de hand moeten maken in Illustrator.

b181f1784e305197b85d2feb64449c31

Als foto nam ik een ava van vorig jaar die ik niet zo heel lang gebruikt heb, en na een uurtje puntjes klikken was ik al een heel eind gekomen:
workinprogress-part1

Je ziet hier goed waar veel detail terechtkomt: rond ogen, neus, mond en oor staan veel meer puntjes dan de rest van mijn gezicht. Dat is niet helemaal in de spirit van low-poly zoals het vroeger echt was, maar als je op deze plekken te weinig polygons gebruikt ben je als persoon niet meer herkenbaar. Die loze puntjes in de achtergrond waren geplaatst om de mesh minder lelijk te maken, zodat ik iets makkelijker in de volgende stap kon zien hoe het resultaat ging worden.

De mesh op basis van die puntjes en het gekleurde resultaat:
workinprogress-part2

De kleuren worden door de app automatisch bepaald door de gemiddelde kleur te nemen van alle pixels in een vlakje; op sommige plekken zie je dat best wel mis gaan. De plukken haar op m’n voorhoofd bijvoorbeeld kleuren een volledig driehoekje donker. De gekleurde mesh ging daarom nog even door Illustrator heen voor wat kleuraanpassingen en het gebroken Polygon effectje:

illustrator

En werd als laatste in Photoshop nog gecombineerd met een gradient van de oude huisstijl kleuren van Style over Substance (linksonder een zachte cyaan tint, rechtsboven een zachte magenta tint), en voila:

avatar-2015-medium-size-1000

Mijn nieuwe ava voor dit jaar is af!

DIY sous-vide koken, deel 2

Hoe maak je zelf nou zo’n goedkoop sous-vide apparaat?

Dit is deel 2 van mijn posts over sous-vide koken. In het eerste deel heb ik uitgelegd wat sous-vide is en verteld over mijn eerste ervaringen met een DIY sous-vide apparaat. In dit deel leg ik uit hoe je zo’n apparaat bouwt.

Laat ik deze post meteen even openen met een waarschuwing: als je niet vaker aan electra gesleuteld hebt, haal er dan iemand bij die meer ervaring heeft. Het is in principe helemaal geen lastig projectje en je bent er zo klaar mee, maar je bouwt wel een intelligente 230 volt schakelaar. Netstroom voor je kiezen krijgen is even wat anders dan de 5 of 12 volt die je maximaal kunt pakken als je even een computer uit elkaar haalt of een ander thuis-hobby-projectje doet. En omdat het hier gaat om een apparaat dat je helpt bij het koken zal er altijd een grote hoeveelheid water binnen handbereik staan. Water en elektriciteit samen is niet tof.

Sous-vide machine van binnen. Don't mention the wiring...

De door mij gebouwde versie bevat een aantal shortcuts die in principe niet netjes zijn – hangende kroonsteentjes, niet standaard draadkleuren, etc – en daarom heb ik er geen stappenplan voor echte beginners van gemaakt. Als je een beetje weet wat je doet heb je aan onderstaande informatie genoeg om een veilige versie te bouwen. Zo niet, vraag dan iemand om hulp die dat wel kan.

En uiteraard: ik ben er niet verantwoordelijk voor als je jezelf elektrocuteert, je huis affikt of je op andere creatieve wijze een Darwin award wint. Of zoals Laurens op Stijlforum poste:

daily

Don’t become that guy.

Anyway, na die flinke disclaimer…

rexc100

Je kunt bij Banggood een setje kopen met een Rex-C100 PID, een merkloze type K thermokoppel en een Fotek 40A solid state relais (SSR). Hoewel de SSR en de PID niet geaard zijn kun je de schakeling verder wel geaard uitvoeren en aangezien er aardig wat water in de buurt zal zijn zou ik dat zeker aanraden.

IMG_9763.jpg

De SSR moet volgens de specificaties gezekerd worden en op een heatsink gemonteerd om meer dan 5A aan te kunnen. Fotek maakt een bijpassende heatsink met de juiste afmetingen en gaten, maar elke heatsink met voldoende oppervlak zou genoeg moeten zijn om de hitte af te voeren. Ik ben daarom naar de lokale electroboer gegaan en heb de eerste de beste heatsink gekocht die groot genoeg was en qua voorgeboorde gaten op de SSR paste. Met wat 96% schoonmaak-alcohol zijn beide delen netjes ontvet en met een tube koelpasta is de aansluiting van de SSR op de heatsink gegarandeerd. In mijn build is de SSR nog niet gezekerd.

IMG_9765.jpg

Zoals je ziet waren de voorgeboorde gaten niet helemaal recht voor deze SSR. Nee, dat is inderdaad niet optimaal.

kthermo

De thermokoppel uit deze set is een type K en dit exemplaar kan volgens de productbeschrijving van 0 tot 400 graden Celcius meten, in hele graden. Tot mijn eigen verbazing blijkt deze thermokoppel toch wel waterdicht en dus prima te gebruiken voor sous-vide (In de toekomst kan het alsnog handig zijn om een betere thermometer aan te sluiten. In tegenstelling tot een thermokoppel kan een RTD bijvoorbeeld de temperatuur wel tot één decimaal meten). Belangrijk om te weten is dat je de kabel van een thermokoppel niet zomaar mag verlengen, want daarmee verandert het spanningsverschil dat gemeten wordt en daarmee ook de gemeten temperatuur. De maximale afstand van dit apparaat tot je waterbad is dus zo lang als de thermokoppel is.

c100

De Rex serie PID’s is officieel van het Japanse electronicabedrijf RKC Instruments, maar ik heb zo het gevoel dat deze versie die je uit China haalt een schaamteloze kopie is. Op eBay kun je de goedkoopste versie namelijk al voor $1.99 krijgen. No problem, kopie of niet, hij doet nog steeds wat ie moet doen. De bijgeleverde handleiding van de C100 is in onleesbaar Chinees en er zijn online meerdere verschillende Engelse handleidingen te vinden, maar afhankelijk van de reseller kan het gaan om een afwijkende versie van de C100 met andere menu’s en instelmogelijkheden. Sommige handleidingen spreken elkaar zelfs direct tegen. De enige handleiding die grotendeels overeen lijkt te komen met het gedrag van mijn C100 heb ik hier beschikbaar gemaakt. De tekst heeft last van wat rare vertalingen, maar is op zich prima te begrijpen.

De C100 heeft een sticker op de zijkant waar het modelnummer op staat. Omdat verschillende varianten van de C100 bestaan moet je even controleren of het modelnummer klopt, de betekenis van elk karakter staat in de handleiding beschreven. Mijn C100 is model REX-C100FK02-V*NN, waarbij het belangrijkste stuk de -V is. Heb je een -M in plaats van een -V, dan zit er al een relais in de PID gebouwd. Deze is helaas te zwak voor het bedoelde gebruik en gaat op een bepaald moment falen. Daarom gebruiken wij een externe SSR met een -V model. Je kunt de -M zelf ombouwen als dat nodig blijkt.

Leuk detail: in alle online handleidingen, behalve de door mij gelinkte, klopt de pinout niet. Volg daarom sowieso de pinout die op de zijkant van de C100 is geplakt. In de verkeerde handleidingen willen ze voeding op pin 6 en 7 hebben, maar in de realiteit moet het op pin 1 en 2 staan want 6 en 7 is een alarmcircuit. Nu wil het geluk dat mijn model C100 geen alarm en dus geen pin 6 of 7 heeft, dat kon niet mis gaan, maar mocht je onverhoopt een variant hebben die wel een alarm heeft dan zou je hiermee de PID opblazen.

Als hittebron heb ik een waterkoker gebruikt, waardoor zowel hittebron als waterbak bij mij één object waren. Je kunt ook een dompelaar, of meerdere dompelaars parallel, gebruiken in een losse waterbak. Sommige mensen gebruiken bijvoorbeeld dompelaars met geïsoleerde koelboxen.

Sluit de onderdelen als volgt aan:

rex-c100-sousvide-diagram

Bij gebrek aan een metalen behuizing waar het apparaat in gebouwd is aard ik in deze build ook de heatsink, als enige andere metalen object dat je per ongeluk kunt vastpakken. Als je een metalen behuizing gebruikt zou ik de heatsink daaraan vastmaken en de behuizing aarden.

Plug het apparaat in en de PID start op – je ziet dan eerst het type thermometer dat is ingesteld, vervolgens de min en max temperatuur die hij kan meten, en daarna het standaard PV/SV scherm. Het bovenste getal, de PV, is de gemeten temperatuur. Als je hier nu de melding Err, oooo of uuuu krijgt is er iets mis met (de aansluiting van) je thermokoppel. Het onderste getal, de SV, is de door jou ingestelde gewenste temperatuur. De vier knoppen daaronder zijn SET, SHIFT, DOWN en UP. Druk éénmaal op SET om de SV waarde te veranderen. Met SHIFT kies je welk getal je via UP en DOWN wilt veranderen. Druk nogmaals op SET om de nieuwe instelling op te slaan. De PID onthoudt hier en in de menu’s geen veranderde instellingen totdat je ze via SET opslaat. Als je een SV kiest die hoger is dan je huidige PV gaat de PID al proberen om de hittebron in te schakelen, je ziet dan op de PID het OUT1 lampje branden en op de SSR het rode relais lampje.

Screenshot 2015-01-19 23.12.35

De overige instellingen van de PID zijn verspreid over 3 menu’s: het Parameters menu dat je krijg als je SET 3 seconden ingedrukt houdt, het Functions menu (COD 0) dat je krijgt als je SET en SHIFT beide 3 seconden ingedrukt houdt, en het Constants menu (COD 1) dat je krijgt als je in het Functions menu de instelling van COD op 0001 zet. Volgens deze handleiding zou er ook nog een COD 2 menu moeten zijn, maar die heeft mijn C100 niet. Het kan zijn dat in het begin de COD menu’s niet beschikbaar zijn. Dit heeft te maken met de data lock functie, LCK in het Parameters menu. Deze moet op 1000 staan om alle menu’s toegankelijk te maken.

Ik heb de volgende instellingen in de COD menu’s aangepast/gecontroleerd:

Input definiëren als Thermokoppel type K.
COD0 menu, SL1 op 0000

Input eenheid definiëren als graden Celcius.
COD0 menu, SL2 op 0000

Alarmfuncties uitzetten.
COD0 menu, SL4 op 0000
COD0 menu, SL5 op 0000
COD0 menu, SL7 op 0000

Functie instellen op Verwarmen.
COD0 menu, SL6 op 0001

Hoogst meetbare temperatuur instellen op 400.
COD1 menu, SLH op 0400

Laagst meetbare temperatuur instellen op 0.
COD1 menu, SLL op 0000

Digital Filtering uitzetten.
COD1 menu, DF op 0000

Het doel van Digital Filtering is om ruis uit de temperatuurmeting te halen, maar deze functie is zo absurd slecht geïmplementeerd in de C100 dat het filter ook grote temperatuurverschillen kan verbergen. De getoonde PV temperatuur blijft dan gelijk aan de gewenste SV temperatuur, ondanks temperatuurschommelingen in het water. Hierdoor lijkt het alsof je systeem perfect nauwkeurig is, maar ondertussen wijk je al een aantal graden af! Dat is onacceptabel bij sous-vide koken en moet daarom uitgezet worden.

IMG_9774.jpg

Als laatste moet de PID zichzelf instellen voor jouw setup, dit moet ook elke keer dat je verandert van hittebron of waterbad opnieuw. Via de autotune procedure gaat de PID een aantal keer je hittebron aan- en uitzetten, om zo te leren wat in dit geval het opwarm- en afkoelgedrag is. Aan het eind worden de opties uit het Parameters menu automatisch correct ingesteld.

Maak voor de autotune je opstelling klaar: zet genoeg water in de waterbak, plaats daar de hittebron en de thermokoppel in, en stel de SV in op een reguliere sous-vide temperatuur zoals 60 graden Celcius. Ga nu naar het Parameters menu en stel ATU in op 0001 om de autotuning te starten. Het AT lampje gaat knipperen gedurende het proces, hoe lang het duurt hangt onder andere af van wat je gebruikt als hittebron en waterbak. Bij mij was de PID in een kwartier klaar met een 1,7 liter waterkoker. Als de autotune klaar is dooft het lampje en op dat moment zouden de getoonde PV en SV gelijk moeten zijn. Gefeliciteerd, je sous-vide machine is klaar voor gebruik! Begin hier maar vast wat inspiratie op te doen :D

DIY sous-vide koken, deel 1

De perfecte manier om je biefstukje voor te bereiden…

Het probleem van grote stukken eten klaarmaken in een pan is dat de hitte nogal ongelijk wordt verdeeld. Iedereen kent wel dat lapje vlees dat van binnen net lekker rosé is, maar van buiten al zwartgeblakerd eruitziet. Of dat stukje vis dat al het perfecte korstje heeft, maar van binnen nog als de diepvries aanvoelt. Sous-vide, Frans voor ‘onder vacuum’, is een manier van koken die dat probleem oplost. Bij sous-vide laat je het eten onder water, in een vacuumverpakking, op een specifieke temperatuur langzaam warm worden. Hierdoor krijgt het hele stuk uiteindelijk dezelfde egale temperatuur, terwijl de vacuumverpakking ervoor zorgt dat er niks van de smaak verloren kan gaan aan het water. Volgens sommige topchefs krijg je bijvoorbeeld de perfecte biefstuk als je die 2 uur lang op een ideale 55 graden Celcius sous-vide laat garen.

Screenshot 2015-01-09 03.51.10

Zoiets had ik al eens eerder met de hand geprobeerd: in Timothy Ferriss z’n boek 4 Hour Chef staat ook een sous-vide recept, waarin je anderhalf uur naast een fornuis staat om met een thermometer een pan water in de gaten te houden. In het water zit een diepvrieszak met kip die op 63 graden moet blijven. Duikt de temperatuur onder de 63 graden? Fornuis hoger zetten. Komt de temperatuur boven de 63 graden uit? Fornuis lager zetten. Een leuk idee, tot je anderhalf uur neurotisch naar een thermometer zit te staren. Dat was niet voor herhaling vatbaar.

Anova_2013 0264_v1

In plaats van naar een fornuis staren kun je ook kiezen voor een voorgebouwde sous-vide optie, zoals de veel geprezen Anova One. Dit alles-in-één apparaat kan niet simpeler zijn: je vult een pan met water, hangt de Anova in de pan, stelt de gewenste temperatuur in – klaar! De Anova regelt zonder dat je verder iets hoeft te doen de perfecte temperatuur van het water. Dat gemak kost je alleen een flinke 200 dollar…

volkskrant

En toen werd op Stijlforum dit artikel uit de Volkskrant geplaatst. Zelf een sous-vide apparaat maken door een PID (Proportional-Integral-Derivative) controller met een hittebron zoals een waterkoker te combineren. De PID, een soort industriële thermostaat, leert hoe het aan- en uitzetten van de waterkoker zorgt voor afwijkingen in de temperatuur. Als je bijvoorbeeld een waterkoker normaal uitzet blijft het verwarmingselement nog een tijdje heet, waardoor het water warmer blijft worden, ook al staat het apparaat al uit. De PID meet dit effect en houdt er daarna rekening mee: voortaan zal de PID de waterkoker eerder uitzetten, zodat de restwarmte het water juist naar de gewenste temperatuur brengt. Door te compenseren voor al die afwijkingen van de waterkoker kan de PID heel nauwkeurig de temperatuur vasthouden. In plaats van een waterkoker zou je ook bijvoorbeeld een rijstkoker, frituurpan of dompelaar kunnen gebruiken – de PID hoeft alleen maar zichzelf in te stellen op de afwijkingen van het nieuwe apparaat.

rexc100

De PID die de Volkskrant gebruikt is de Chinese Rex-C100, volgens het artikel kant en klaar al voor 30 euro bij Amazon te krijgen. Dan krijg je niet alleen de PID, maar ook een bekabelde thermocouple (de thermometer) en een solid state relay (de schakelaar die de hittebron aan- en uitzet) die je nodig hebt voor dit project. Dat klinkt al goedkoop, maar bij de Volkskrant hebben ze dan nog ruimschoots teveel betaald: Banggood verkoopt deze PID met dezelfde set voor 14 euro. Voor die prijs kan ik zo’n projectje niet laten schieten, dus meteen besteld. Een paar dagen geleden belde de postbode aan met m’n pakje. Tijd om te spelen!

Nou ja, spelen, het bleek achteraf toch iets meer gedoe te zijn dan ik had verwacht toen ik het setje bestelde. Wat een projectje van één uur had moeten zijn werd uitgerekt naar een paar dagen door onleesbare Chinese handleidingen, elkaar tegensprekende online instructies en ook nog een paar missende onderdelen. Ik zal in een volgend deel iets meer toelichten hoe dit ding gebouwd werd, maar voor nu hoef je alleen maar het geweldige resultaat te aanschouwen:

IMG_9769.jpg

Uh, okee, beetje een anticlimax… Maar geloof me, hij werkt beter dan ie eruit ziet. De lelijke plastic opbergdoos houdt de verschillende onderdelen, waar wel gewoon 230 volt op staat, uit de buurt van enig gemorst water en dankzij het opbouwstopcontact kan ik makkelijk een upgrade maken naar een andere hittebron. Ja, de electroboer verkoopt ook plastic behuizingen die wel voor dit soort projecten bedoeld zijn en ja, de electroboer verkoopt ook aansluitingen die er niet uit zien alsof ze van de muur van een willekeurige achterstandsflat zijn gerukt. Maar wat zou daar nou de lol van zijn?

IMG_9776.jpg

En wat is dan het eerste waarmee dit apparaat getest gaat worden? Eitjes!

Niet alleen omdat het originele Volkskrant artikel over eieren ging, maar ook omdat dit een soort lakmoesproef is voor een zelfgebouwde sous-vide machine. Door op de perfecte temperatuur te zitten kun je een eitje maken waarvan het eigeel een pudding-achtige structuur heeft – niet zachtgekookt, niet hardgekookt, maar iets er tussen in wat je normaal nooit op je bord krijgt. Maar het luistert erg nauw, veel nauwer dan bij andere sous-vide recepten. Heeft je sous-vide machine teveel uitschieters in de temperatuur? Dan krijg je na al die moeite ‘gewoon’ een hard- of zachtgekookt eitje. Serious Eats heeft er een uitgebreid achtergrondartikel over geschreven dat ik iedereen aanraad te lezen.

Ik stelde de PID in op 64 graden, volgens deze video van een sous-vide machinemaker absoluut de perfecte temperatuur voor de zogenaamde ‘custard eggs’. Na even opwarmen zat de waterkoker al snel precies op de gekozen temperatuur – maar zou die ook kloppen? Als extra controle gooide ik m’n kookthermometer in het water.

IMG_9778.jpg

Hmmm, 63, not bad. Wel één graad lager dan het volgens de PID is. Het probleem is natuurlijk dat ik ook niet weet of mijn keukenthermometer wel nauwkeurig is. En misschien nog belangrijker, beide thermometers ronden af naar een hele graad. Misschien is het water volgens de keukenthermometer wel 62,5 graden, terwijl het volgens de PID 64,4 graden is. Anderzijds, misschien is het volgens de keukenthermometer wel 63,4 graden, terwijl het volgens de PID 63,5 graden is. Geen flauw idee.

Maar dat zijn problemen voor later. Na de aangeraden 55 minuten haalde ik het eerst eitje eruit, pelde ik ‘m en sneed ik ‘m doormidden…

IMG_9781.jpg

Hmmm, dat was niet helemaal de verwachting. Volgens de online voorschriften zou dit wel veilig te eten moeten zijn, ondanks dat het lijkt op vloeibare salmonella. Na de eerste paar voorzichtige happen bleek het ook best lekker te zijn, een soort extreem zachtgekookt eitje. Maar niet het beloofde ‘custard egg’ effect.

Volgens Serious Eats was tijd ook een factor. Misschien was 55 minuten in mijn DIY setup gewoon niet lang genoeg? Om dat te testen liet ik het volgende eitje 2 en een half uur in het water zitten. Dus na wachten, pellen en snijden kreeg ik…

IMG_9782.jpg

Iets beter, maar nog steeds wel erg vloeibaar. Smaakte prima en het eigeel was nu wel romiger, zou misschien ook al uitgesmeerd kunnen worden op toast zoals in het filmpje gesuggereerd. Maar ook dit kwakje blijft de vloeibare salmonella vibe toch iets meer houden dan ik fijn vind.

Ik deed nog één poging met een eitje, maar nu op 66 graden in plaats van 64. In het Serious Eats artikel was dat namelijk de temperatuur waarbij het plaatje van een ei het meeste leek op de omschrijving van een ‘custard egg’. Weer 55 minuten later tikte ik ‘m open en…

IMG_9783.jpg

Wauw. Het is maar 2 graden verschil, maar opeens heeft het eigeel inderdaad die pudding-achtige consistentie en blijft het eiwit ook een ei-vorm behouden na het doorsnijden. De textuur is onverwacht anders dan een normaal halfzacht eitje, en geheel consistent door het hele ei heen. Best wel tof dit.

IMG_9789.jpg

Maar een test met alleen eitjes is natuurlijk geen test om trots op te zijn. Vlees willen we! Een lekker biefstukje, om precies te zijn. Ook hier heeft Serious Eats een flink achtergrondartikel over gemaakt. 45 minuten op 55 graden zou voldoende moeten zijn om een perfect medium-rare stuk koe op je bord te krijgen. Omdat ik ondertussen twijfel of de PID misschien een afwijking naar boven heeft besluit ik er 1 uur op 57 graden van te maken, dan zit ik in ieder geval goed.

IMG_9788.jpg

Ik had toevallig nog een lapje biefstuk in de diepvries liggen, en het plastic waar die in gesealed zit is ook prima te gebruiken als vacuumverpakking. Het nadeel hiervan is dat ik nu geen peper en zout of kruiden bij het vlees kan gooien, wat je normaal wel zou doen voordat je ‘m vacuum zuigt. Maar prima, dit is dan ook een eerste test. Eerst even ontdooien in de koelkast, dan in de waterkoker en een uurtje wachten later…

IMG_9791.jpg

Okee, zo ziet de inhoud van de verpakking er niet geweldig tempting uit, maar hee, ’tis nog een work in progress. Misschien wordt het beter als we ‘m uit de verpakking halen.

IMG_9794.jpg

Nee. Definitely not.

IMG_9798.jpg

Gelukkig wist ik van tevoren al dat je na het sous-vide bereiden beide kanten van de biefstuk nog even moet aanbakken in de koekenpan. 1 minuutje aan elke kant zorgt voor genoeg maillard reactie om een lekker bruin tintje en dat heerlijke biefstuk gevoel te krijgen (Ja, ik weet dat dat een verschrikkelijke pan is – een van de dingen die je accepteert aan een gedeeld huis). En daarna even doormidden snijden om te kijken wat het resultaat is…

IMG_9804.jpg

Goddamn, nice. Het kwijl loopt opnieuw in m’n mond bij het zien van de foto’s.

IMG_9806.jpg

Zo mals. Zo lekker. Zo onverwacht goed voor een eerste test. Jep, ik ga heel, heel, heel veel plezier beleven aan dit apparaat.

Update: Deel 2 van deze post is nu ook beschikbaar.

Gaggia Classic Espressomachine

Hoe dankzij twee vrienden de zoektocht naar het perfecte kopje espresso begonnen is…

Het is allemaal de schuld van Paul en Thijs. Vorig jaar kochten zij allebei espressomachines, van die flinke degelijke apparaten zoals je ze ook in een goed café ziet. Op mijn aanrecht stond nog steeds een Krups Nespresso apparaat, het goedkoopste model dat met kerst bijna gratis in je handen wordt geduwd om je maar aan die cups verslaafd te krijgen.

Tijdens een gezamenlijk weekendje Parijs kreeg ik van beide heren continu te horen dat ik als koffieverslaafde mijn mannelijkheid zo ongeveer mocht inleveren, omdat ik nog steeds die stomme cups dronk. Echte espresso komt voort uit met zorg geselecteerde, versgemalen bonen, die door bekwame handen worden aangedrukt om vervolgens onder optimale temperatuur en druk met de perfecte hoeveelheid water blablabla…

Dat lijkt voor buitenstaanders een vrij onzinnige discussie om te voeren, maar ik ben nogal beïnvloedbaar – en dat weten ze. Het idee dat ik iets minderwaardigs bezit, terwijl hoge klasse eigenlijk binnen handbereik is, bezorgt me meteen slapeloze nachten.

vibiemme

En zo zat ik opeens wekenlang mezelf in te lezen op espressomachines. Heat exchangers, E61 drukgroepen, boilers van messing, digitale PID’s, allemaal dingen waarvan ik nooit wist dat ik ze wou hebben maar waarvan het nu volledig zeker was dat mijn leven niet compleet zou zijn zonder. En toen ik midden in de nacht de specs van een Vibiemme Domobar Super zat door te bladeren, om die het liefst te combineren met een Mazzer Super Jolly maler, en dan ook nog een hele lijst aan andere accessoires verzameld had die absoluut nodig waren om een lekkere espresso te zetten… realiseerde ik me dat we het over meer dan 3000 euro aan gear hadden.

Eén reality check later ging ik op zoek naar een machine die beter bij mijn budget past.

gaggiaclassic

Aan de onderkant van de – volgens online puristen – lijst aan acceptabele espressomachines zit de Gaggia Classic. Deze machine, ontworpen in 1991 en sindsdien eigenlijk onveranderd, is een halfautomaat en kwalitatief goed maar zo kaal als het maar kan. Waar een volautomaat met één druk op de knop voor jou de bonen maalt en een kopje koffie zet moet je met een halfautomaat zelf de bonen malen, afmeten, aanstampen, in de machine zetten en de juiste hoeveelheid water erdoorheen laten lopen. De Classic doet ook niks voor jou om dat enigszins makkelijker te maken. De allergoedkoopste acceptabele optie, die meestal voor net onder de 300 euro te verkrijgen is. Hmmm. 300 euro is nog steeds niet echt goedkoop eigenlijk. Ik hou inderdaad zielsveel van koffie, maar is het me dat wel waard? Gelukkig hebben we marktplaats. Een weekje jagen later werd een bod van 75 euro geaccepteerd en was ik de bezitter van een tweedehandse Classic!

Maar ik was er nog niet. Met de Gaggia kun je al espresso zetten, maar als je dat met voorgemalen bonen doet had je net zo goed bij de Nespresso cups kunnen blijven. Want de puristen zeggen: bonen moeten vers gemalen worden en meteen gebruikt om geen smaak te verliezen. Gelukkig kon ik tegelijkertijd van een forumgenoot zijn oude, maar degelijke, maler overnemen. Top, want malers zijn net zo duur als (of zelf nog duurder dan) de espressomachines! Voor een vriendenprijsje was ik een Demoka M203 rijker en kon ik aan de slag.

Espresso machine setup

Helaas is goedkoop nog wel eens duurkoop. Na een paar eerste testkopjes te zetten besloot ik de Gaggia eens grondig schoon te maken. De buitenkant was geen probleem, de binnenkant daarentegen… Met een schroevendraaier en een imbus-sleuteltje trek je zonder moeite de kop waar het water uit komt van het apparaat en kun je zien wat erachter verscholen ligt. Ik wist dat daar best wel veel kalk- en koffieresten te vinden zouden zijn, dat is normaal, maar wat ik niet had verwacht was dat het aluminium half weggevroten was.

Ieuw. Ieuw ieuw ieuw. Brewgroup in de Gaggia vervangen.

Ieuw. Ieuw, ieuw, ieuw, ieuw, IEUW. Daar had ik dus al koffie uit gedronken. Waarschijnlijk was dit onderdeel in de afgelopen 10 jaar nog nooit schoongemaakt. Ik deed nog een laatste poging, maar het werd al snel duidelijk dat dit een verloren zaak was. De oude onderdelen gingen richting de vuilnisbak en een snel tripje naar de lokale espressomachine-boer later had ik een aantal nieuwe, zware, messing onderdelen gekocht die nooit zouden vergaan. Onderdelen die natuurlijk weer een stuk duurder waren dan de normale aluminium reserve-onderdelen.

So far, so good. Maar een schone machine en een maler zijn nog maar het beginpunt van deze queeste voor het perfecte kopje espresso. In een volgende blogpost zal ik jullie verblijden met alle andere accessoires die gekocht moesten worden, alleen maar omdat Paul en Thijs het niet konden laten om me te pesten over mijn Nespresso apparaat. Thanks guys. Mijn bankrekening haat jullie :D