N-3B Snorkel Parka

Ik heb mijn nieuwe winterjas vervangen met het 60 jaar oudere origineel…

Mijn fascinatie voor Amerikaanse legerkleding heeft weer een nieuw nerd-niveau bereikt. De nieuwste aankoop is een origineel vintage exemplaar van een van de meest legendarische winterjassen die de Verenigde Staten ontwikkeld heeft; een N-3B uit 1957.

Rond de tweede wereldoorlog begon het Amerikaanse leger door te hebben dat ze meer functionele kleding nodig hadden; de leren jassen die piloten bijvoorbeeld droegen zagen er mooi uit maar hielden de piloten niet warm genoeg tijdens de vlucht. En ook het grondpersoneel had het zwaar; op vliegdekschepen en legerbasissen in besneeuwde gebieden waren de bestaande jassen simpelweg te koud om lang buiten te blijven. De N serie winterjassen, ook wel parka’s genoemd, werden juist voor dat doel ontwikkeld. Met een officiele classificatie als “JACKET,FLYING, MAN’S, EXTREME COLD WEATHER” krijg je wel een gevoel welke richting ze op wilden.

De inspiratie voor deze kleding kwam van de Inuit eskimo’s, die flink ervaring hadden met in bittere kou overleven: zij gebruikten in hun kleding bijvoorbeeld bont rondom het hoofd en de polsen, omdat bont als een natuurlijk windscherm werkt en warmte binnenhoudt. Op de N parka’s werd daarom ook bont verwerkt rondom de capouchon. Dit bontkraagje, de voorganger van alle moderne bontkraagjes, kon zo hoog dichtgeritst worden dat de capouchon alles behalve de ogen bedekte – vandaar de bijnaam ‘snorkel parka’. Met zo weinig huidcontact konden zelfs temperaturen van -50 Celcius overleefd worden met een N parka over je uniform.

Ook andere features hielpen deze parka’s je warm houden. Het toen heel moderne nylon werd gebruikt voor de buitenlaag, omdat het wind en water tegenhield, en de jas werd uitgevoerd met speciale zakken om handen warm te houden en een windflap die over de rits dichtgeknoopt kon worden. Van de N modellen was de N-3 wat langer, en had een capouchon die uit één stuk bestond. De N-3 werd doorontwikkeld en veranderde uiteindelijk in de N-3B, het model dat ook door de Amerikaanse luchtmacht massaal in gebruik werd genomen vanaf de jaren ’50.

De N-3B is vervolgens vele decennia voor de Amerikaanse defensie gemaakt, waardoor ze langere tijd vrij consistent in legerdumps te vinden waren. De jas is zo iconisch dat veel details op moderne winterjassen hun oorsprong vinden in de N-3B of zijn soortgenoten, en het model eigenlijk een soort grootvader is van alle parka’s zoals we ze nu kennen. De militaire specificatie voor de N-3B was voor het laatst in 2003 nog geupdate tot de MIL-DTL-6279M spec. Ondanks deze recente aanpassing is de N-3B in het leger ondertussen allang vervangen door modernere jassen, al blijven producenten als Alpha Industries nog steeds versies van deze jas maken – maar dan voor burgers.

Dat de N-3B een designklassieker is merk je ondertussen ook als je op zoek gaat naar zo’n originele jas. Vintage, ongebruikte exemplaren van vroege N-3B legermodellen gaan nu zelfs voor een klein fortuin weg – verzamelaars in Japan leggen zonder probleem 1000 dollar neer voor zo’n jas. Maar latere jaargangen hebben die verzamelwaarde niet, en beschadigingen op gedragen exemplaren doen de waarde ook flink zakken.

Mijn interesse in de N-3B was al een tijdje gewekt. Maar voor ik serieus geld ging investeren in een vintage N-3B leek het me een goed idee om eerst te kijken of het model uberhaupt iets voor me was. Ik kocht online een goedkope zwarte replica van de N-3B. Voor een paar tientjes kon ik daarmee de maatvoering vergelijken en zien of het model mij stond. Dat was in 2014… en 3 winters verder kan ik je zeker vertellen dat de N-3B iets voor me is. Die goedkope jas, origineel alleen als test was bedoeld, heb ik bijna permanent in de koude seizoenen aangehad, omdat ie zo praktisch en warm was. Deze winter bedacht ik me dat het ondertussen wel tijd was geworden om een echte N-3B aan te schaffen!

Makkelijker gezegd dan gedaan. Ongebruikte N-3B’s zijn niet te krijgen, want die eerder genoemde Japanse verzamelaars winnen altijd van je, ongeacht je bod. Gebruikte N-3B’s zijn een gok want het blijven legerjassen, en die worden echt afgetuigd als ze gedragen worden – dat dunne lijntje tussen wat nog vintage is of gewoon echt gesloopt is soms ver te zoeken bij de verkopers. Daarnaast bleken de meeste vintage N-3B jassen toch in Amerika te verblijven, wat een hoop gedoe zou betekenen met verzend- en douanekosten. Uiteindelijk kwam ik na een lange zoektocht op eBay uit op mijn huidige aankoop: een verkoper in Belgie had een N-3B die geproduceerd was in de jaren ’50, wat erg vroeg is, maar wel gedragen was, waardoor hij toch betaalbaar blijft. Inclusief verzendkosten was ik een zeer prima 80 euro kwijt aan deze jas.

Mijn jas is volgens het label gemaakt door Albert Turner & Co, een bekende producent van legerkleding en één van bedrijven die de N-3B officieel voor de luchtmacht gemaakt heeft. De militaire specificatie van deze jas is 6279C – bij elke aanpassing ging de letter aan het eind een stap verder, dus dit was de derde aanpassing op het N-3B model. Omdat er geen DSA (Defense Supply Agency) nummer, een identificatie voor producent en productiejaar, op het label staat kunnen we niet meteen zien in welk jaar de jas gemaakt is – maar de DSA werd pas in 1962 geintroduceerd, dus deze jas is sowieso ouder. Dit klopt ook met het zwarte label, want het moderne witte label werd ook pas rond de introductie van het DSA nummer toegepast. Veel andere sites (bijvoorbeeld deze) over N-3B parka’s verwijzen voor een Albert Turner parka met 6279C als spec naar 1957 als productiejaar, dus laten we daar ook even van uit gaan.

Tof detail: gebruikte legerjassen hebben vaak persoonlijke aanpassingen of identificatie van de originele eigenaar erop. Zo zie je bijvoorbeeld veel N-3B jassen met reflectieve strips erop gestikt, zodat grondpersoneel goed zichtbaar was, ook als ze nacht-operaties moesten voorbereiden. Mijn jas heeft een handgeschreven naam van de voormalige eigenaar onder het label staan, die niet meer te lezen is na al die tijd. ‘Berielke’ misschien? De eigenaar zat in ieder geval in de USAF – niet verrassend, aangezien deze jassen daar voor gemaakt waren – maar meer weten we niet. Was hij piloot? Of technisch grondpersoneel? Je kunt er van alles bij bedenken.

Zo’n oud model is niet alleen meer gewild door de zeldzaamheidswaarde, maar ook omdat in latere jaren flink bezuinigd werd op het materiaal van deze jassen. Zo heeft deze 6279C jas een buitenkant gemaakt van 100% nylon en een 60% wol / 40% katoen mix voor de vulling, en werd er toen nog echt bont op de jas gebruikt. Latere jassen gebruikten een goedkopere nylon/katoen mix voor de buitenkant en simpel polyester voor de vulling, met een synthetisch nepbont uit de tijd dat ze dat nog niet heel goed konden maken.

Opvallend bij het nylon is dat dit destijds nog een ontzettend nieuw materiaal was, waar ze nog veel over moesten leren. Zo bleek de nylon samenstelling die zij gebruikten zeer gevoelig te zijn voor verkleuring, waardoor het groene nylon langzaam paars kon worden. Vooral onder langere invloed van UV licht was dit merkbaar, waardoor oudere N-3B jassen some volledig paars zijn uitgeslagen. Onder het luchtmachtpersoneel die de jassen droegen was dit echter een statussymbool; het dragen van een ‘salty’ jas, zoals zij dat noemden, betekende dat je al lang in dienst was. Mijn jas heeft hier ook last van, al blijft het bij een aantal vlekken hier en daar.

Deze oudere jassen hebben ook andere details die latere jaargangen niet hebben. Zo is er nog een U.S. Air Force logo gestencild op de linkermouw, wel flink vervaagd vergeleken met hoe duidelijk deze origineel had moeten zijn. Een ander mooi detail is het merk ritssluitingen, nog van het originele Amerikaanse merk Crown. Zoals veel Made in the USA producten werden Crown ritssluitingen later vervangen door de veel goedkopere – en volgens kenners kwalitatief slechtere – ritssluitingen die gemaakt werden in het buitenland. Crown ritssluitingen zijn zo’n belangrijk onderdeel van vintage Amerikaanse kleding, dat het Japanse Buzz Rickson’s – een merk dat perfecte replica’s maakt van legerkleding – een fortuin heeft uitgegeven om exacte kopieen te kunnen produceren van Crown ritsen.

Ondanks de goede staat, voor een gebruikte jas van ruim 60 jaar oud, kun je zeker stellen dat hij niet perfect is. Naast een beperkt aantal beschadigingen, die mijn kleermaker allemaal netjes weer kon bijwerken, mist deze jas het originele bontkraagje en de originele knopen voor de windflap. Echt bont vergaat op den duur, en ik kan me voorstellen dat het laagje bont op deze jas na 60 jaar niet bijzonder fris meer was. Ik ga even op zoek naar een vervanging voor bont en knopen, en dan is deze jas weer helemaal klaar voor het winterseizoen eind dit jaar!

Vintage Jaeger-LeCoultre

Mijn nieuwste aanwinst, een vintage Jaeger-LeCoultre horloge van 70 jaar oud.

Jaeger-LeCoultre is een merk dat ik al een tijdje op de wishlist had staan. Ze hebben een uitstekende reputatie als een van de grote horlogehuizen, al meer dan anderhalve eeuw een favoriet van horlogemakers. LeCoultre bestaat sinds 1833 en was gespecialiseerd in het bouwen van geraffineerde uurwerken, die ze verkochten aan bekende merken als Cartier en Patek Philippe. Na een fusie met Jaeger, een bedrijf dat zakhorloges maakte, ging het bedrijf onder de naam Jaeger-LeCoultre eigen horloges verkopen.

IMG_1226.jpg

Het meest bekende model van JLC is de Reverso, een horloge uit de art-deco periode waarvan de kast omgeklapt kan worden om zo het tere glas en uurwerk te beschermen tegen rake klappen – origineel omdat de eigenaar op dat moment waarschijnlijk polo aan het spelen was. In mijn ogen één van de mooiste horloges ooit gemaakt. Helaas prijkt het merk met zulke historie ook redelijk hoog op de niet-zo-heel-erg betaalbaar lijst. Dus ik had al een klein beetje geaccepteerd dat ik niet snel een JLC om de pols zou hebben.

En toen kwam ik deze nieuwe aanwinst tegen op een veilingsite… Het model behoort niet tot een specifieke modellijn of familie, het is gewoon een van de vele wat nettere horloges die JLC in de late ’40s/vroege ’50s uitbracht. Maar dit is wel een fraai exemplaar met een degelijke 36mm kast – tegenwoordig haast een damesmaat, maar 70 jaar geleden was dit vrij groot voor een herenhorloge. De licht gepatineerde witte plaat heeft opgelegde zilverkleurige markers, waarbij alleen de even cijfers met een nummer zijn uitgevoerd. Een verzonken subdial bij de 6 houdt de secondes bij, terwijl bovenin haast onleesbaar als logo het merk ‘Jaeger-leCoultre’ staat geschreven. De eveneens zilverkleurige wijzers hebben een voor JLC typische zwaardvorm. De Reverso heeft hier bijvoorbeeld een kleinere versie van, terwijl op het Geophysic model ook zulke wijzers (maar dan met lume) zitten.

IMG_1243.jpg

Het ontwerp van deze kast is nogal ouderwets. In plaats van de tegenwoordig standaard geschroefde achterkant klikt dit deksel simpelweg vast en is daardoor niet bepaald waterdicht te noemen; ik zou dit horloge niet eens graag aan hebben in een zware regenbui. Het klokje draait op een JLC cal469/1c, een uurwerk waarvan het ontwerp uit de ’30s stamt maar waar verder niet zoveel over bekend is. Het ziet er wel verrassend prima uit, vaak zie je juist bij dit soort oude horloges veel slijtage op het uurwerk, door goedkopere horlogemakers in de afgelopen decennia die met net-niet-passende schroevendraaiers aan het werk zijn geweest. Maar elk schroefje hier ziet er nog perfect uit.

EH3B0038.jpg

Gezien de leeftijd is het klokje nog in verrassend goede staat. Natuurlijk is het wel 70 jaar oud en in die tijd gebruikt, dus krassen op de kast en patina op de plaat zijn geen verrassing. Maar de plaat is nog in goede staat, het patina geeft het juist wat leeftijd en karakter zonder meteen vies en oud aan te doen. Het acryl glaasje was bij ontvangst wel flink bekrast, wat niet heel gek is gezien de leeftijd. Maar een beetje polywatch poetsmiddel en drie kwartier boenen later was het glaasje weer prima bruikbaar. Er zitten door deze en eerdere poetsbeurten wel wat vertekeningen in het glas, wat gelukkig niet heel zichtbaar is als het horloge in elkaar zit.

IMG_1232.jpg

Wat wel tegenviel was de kroon. Omdat dit een handwinder is moet je hem elke dag met de hand opwinden, wat constante slijtage van de kroon als gevolg heeft. Daarom zijn de kronen op vintage horloges vaak al meerdere keren vervangen. In dit geval was de kroon bij de laatste service vervangen door een messing-kleurige kroon, wat helemaal niet past bij de rest van het horloge. Die heb ik meteen door een stalen exemplaar laten vervangen. Het is wel mooi dat JLC horloges uit deze tijd geen merkje op de kroon hadden, waardoor ik niet hoefde te zoeken naar een passende JLC kroon en juist een goedkopere blanco kroon kon laten plaatsen.

IMG_1422.jpg

Door drukte bij de horlogemaker kon ik dit horloge deze week pas ontvangen, nadat het al 6 maanden bij hem op service lag te wachten. Een lange tijd om zonder nieuw speelgoed te zitten, maar al met al ben ik nu zeer tevreden met het eindresultaat. Ik ben toch wat gevoelig voor merkjes en dan is het ontzettend tof om met een Jaeger-LeCoultre om de pols te lopen. En sowieso ben ik blij met weer een fraaie aanwinst erbij in de horlogedoos!

Yashica Electro 35 rangefinder

Ook wel bekend als de ‘poor man’s Leica M’

Hoog op mijn wishlist voor vintage camera’s staat een Leica M rangefinder. De red dot cult – de geuzennaam voor Leica fans – wordt vaak vergeleken met Apple fanboys – volledig idolaat zonder een echt rationele onderbouwing. Maar het merk staat voor alles waar ik altijd naar op zoek ben: authenticiteit, historie, kwaliteit. Ik kan er niks aan doen – bij elke hobby die ik erbij krijg zal voor een merk de heritage altijd een doorslaggevende factor zijn.

m3

Er zijn in al die jaren dat Leica bestaat flink wat leden bij de red dot cult gekomen. Daarom zijn Leica M toestellen, het meest bekende en gewilde model Leica, ook zo onbetaalbaar. Zelfs slecht onderhouden modellen die al decennia oud zijn kunnen nog steeds ruim 1000 euro opleveren. Een moderne, digitale Leica M? Die kost je zonder lens al 7000 euro.

Maar wat maakt die camera’s dan zo speciaal? Eén essentieel onderdeel is dat het rangefinders zijn. Een rangefinder is een type camera met een speciale focustechniek. Deze is ontwikkeld voordat electronische autofocus bestond, toen focussen nog met de hand, op het oog, en vaak op goed geluk ging. Neem de volgende video als voorbeeld:

Door de zoeker van een rangefinder zie je als fotograaf de wereld voor je, maar zie je tegelijkertijd een doorzichtige kopie in het midden hangen. Die kopie maakt duidelijk welk deel van de foto in focus is. De kopie beweegt als je aan de focusring draait; zodra jouw onderwerp in zowel de kopie als het volle beeld over zichzelf valt is deze in de uiteindelijke foto in focus. Fans van deze techniek vinden dat deze manier van focussen natuurlijker is, en dat je met wat oefening sneller en nauwkeuriger kunt zijn dan een moderne autofocus. Ideaal voor straatfotografie, waar de paar seconden zoeken van de autofocus het verschil kan zijn tussen perfectie of een gemiste shot.

Super interessant om eens te proberen, maar ik kan dus geen Leica betalen. Wat zijn dan m’n opties? Een regelmatig terugkerende aanbeveling is de Yashica Electro 35. Ik ontdekte de Electro na een artikel van GearPatrol. Verder zoekend kwam ik meer enthousiaste reviews tegen op sites als Steve Huff, Ken Rockwell en JapanCameraHunter. De conclusie: ’tis zeker geen Leica M, maar het is een hele leuke, hele betaalbare rangefinder om mee te beginnen.

En zelfs Peter Parker loopt ermee rond in de laatste Spiderman films :D
spiderman

Nog een voordeel van dit model Yashica? Er zijn er zo verschrikkelijk veel van gemaakt. Bij andere vintage camera’s moet je altijd even slikken als je begint te zoeken, want hoeveel zijn er nou tegenwoordig nog in werkende staat? Maar dat was hier absoluut niet het geval. Even jagen op marktplaats en voor je het weet ben je een paar tientjes armer en een camera rijker.

A post shared by Guy Sie (@guysie) on

Het eerst wat opvalt: wat een lomp ding. Ik had al gelezen dat de Electro één van de grotere rangefinders uit die tijd was, maar het blijft een flink brok metaal. Zelfs vergeleken met mijn toch niet laffe dSLR camera, een Canon 60D, heb ik het gevoel iets veel gewichtigers in handen te hebben.

Batterij is wel een probleem, aangezien de originele PX32 5.6V batterij niet meer gemaakt wordt en alleen nog maar van dure sites besteld kan worden die zich in zeldzame modellen specialiseren. Maar met een simpele adapter kun je een tegenwoordig nog te verkrijgen batterij omzetten naar de juiste grootte om in de Electro te passen. Ik haalde mijn adapter van eBay en was verrast om te zien dat de ‘adapter’ bestond uit een stukje hout, een plastic tube en een schroef. Maar ach, als het maar werkt.

Gebruik kan eigenlijk ook niet makkelijker. De camera staat in principe altijd in Av (Aperture Priority) mode en past de sluitertijd automatisch aan op het door jou gekozen diafragma. Dit maakt de camera simpeler en daarom minder interessant voor de pro dan de Leica’s, die volledig manual zijn. Maar fuck it, ik wil gewoon leuke plaatjes schieten. Dat gaat, vooral voor een rangefinder beginner, een stuk makkelijker als de camera je een klein beetje meehelpt.

Voortaan gaat deze camera daarom dagelijks mee in de ONA tas! Als ik het echt leuk blijk te vinden om met m’n rangefinder foto’s te maken, dan mag ik van mezelf erover nadenken om daadwerkelijk die Leica M eens op de kop te gaan tikken…

Een nieuwe plaat in een oude Omega

Na het monteren van een vervangende wijzerplaat kan deze Omega Seamaster uit de ’60s er weer tegen aan!

Een van de eerste vintage horloges die ik kocht was een Omega Seamaster uit de ’60s, een 14759 om precies te zijn. Het horloge had alles wat ik zocht in een net kantoorklokje – rustig en ingetogen model van een goed merk, met mooie details zoals de ‘alpha’ vorm van de handen en de goudkleurige opgelegde markers.

IMG_9115.jpg

Ik liep er een paar weken heel enthousiast mee rond, maar toen merkte iemand op dat de Omega tekst er een beetje scheef op stond. En toen ik er met een macro-lens foto’s van nam zag ik ook hoe slecht afgewerkt het Omega logo op de plaat zat. En eigenlijk viel het ook wel op dat de wijzerplaat veel te clean was, vergeleken met de wijzers.

Vintage Omega Seamaster

En zodra je het gezien hebt kun je het natuurlijk nooit meer negeren. Zo’n slecht gerestaureerde wijzerplaat noemen de horloge-fans een ‘redial’, en het betekent ook dat het horloge een stuk minder waard wordt. Miskoopje dus, maar ik wist toen nog niet zoveel van horloges.

En toen vond ik op eBay dit vintage exemplaar tussen de horloge onderdelen liggen:

Vintage Omega dial

Andere markers, geen Seamaster text en een crosshair over de plaat, maar alsnog zag deze plaat er beter uit dan de plaat die al in m’n Seamaster zat. Ik wist niet helemaal zeker of het ging passen, dus op hoog van zegen maar op geboden – en gewonnen! Deze week door een horlogemaker laten monteren en…

Omega Seamaster

Pretty damn good. Erg tevreden over zelfs. De markers hebben een andere vorm, maar ik vind deze misschien nog wel mooier. De Seamaster tekst mis ik niet, de crosshair vind ik de plaat juist weer mooi opvullen. En dat ziet er zo uit om de pols:

Vintage Omega Seamaster wristshot

Deze Seamaster gaat weer wat vaker gedragen worden!

Barbour Durham jas

Een nieuwe Barbour jas voor de collectie.

Ik heb een lichte, misschien wat ongezonde, fascinatie met Barbour. Het is een van die Britse heritage merken waar je niet omheen kunt, zo Brits als de Mini, als Burberry, als de Beatles. Deze met wax behandelde jassen houden probleemloos de regen en kou buiten, of je nou een op fazanten jagende prins bent of een motorrijder die door de Engelse modder een trial rijdt. En het is, natuurlijk, ook het merk van door de blubber banjeren op Glastonbury, want festivalgangers kopen elk jaar de kringlopen in Engeland leeg voor deze waterdichte waxjassen.

Als gevolg van die fascinatie heb ik al een Barbour Bedale (met de optionele bont binnenvoering), Barbour International (de klassieke motorrijdersjas) en een Barbour Liddesdale (de ongeveer 5 jaar geleden oh-zo-hippe ovenwant) in de kast hangen. Maar er is altijd ruimte voor meer. Bij mijn laatste tripje naar de Episode – mijn favoriete vintage winkel in Utrecht – kwam ik een model tegen dat ik nog niet eerder had gezien: de Barbour Durham.

Durham blijkt een pittoresk stadje in het noorden van Engeland te zijn, waar het natuurlijk altijd nat en koud is. Dat is min of meer het scenario waar elke Barbour jas voor gemaakt wordt. Maar in tegenstelling tot de gemiddelde Barbour jas heeft de Durham een aantal aparte features – een vaste capouchon, een dubbel schouderstuk om regen buiten te houden, stormflappen op de rits en zakken. Klinkt als een typische winterjas, maar in tegenstelling tot die verwachting is hij juist lichtgewicht gemaakt, zonder zware voering en met een flexibele sylkoil wax coating. Perfect in slecht weer, zonder meteen zwaar en verstikkend heet te zijn.

De jas was door die combinatie van eigenschappen zo handig, dat een aantal regimenten Britse paratroopers tijdens de Falkland oorlog zelfs aangepaste Durhams gebruikten, in plaats van hun officiele overjassen. Barbour heeft daar overigens een rijke historie in – de Britse onderzeeboten kregen in de tweede wereldoorlog standaard marinekleding toegewezen, maar die kleding bleek tijdens de oorlog niet waterdicht genoeg voor gebruik op een onderzeeboot. De kapitein van de onderzeeboot HMS Ursula heeft toen aangepaste Barbour kleding voor zijn bemanning laten maken, wat uiteindelijke zou resulteren in het Barbour model wat we nu als de International kennen.

De Durham is dus uitstekend geschikt als lente/herfst jas, vooral in de landen waar die seizoenen vooral nat zijn in plaats van koud. Ik heb hem nu een week op vakantie in Valencia gebruikt, in het seizoen dat er toch wat minder zon is en er flink wat meer regen valt – maar waarbij de temperatuur in Spanje dan nog steeds prima is, en een echte gevoerde jas je oververhit en zweterig maakt. Slecht weer? Jas dicht, capouchon op, en de wind en regen maakt geen kans meer. Zonnig? Jasje open, capouchon af, mouwen opstropen – nergens last van. Mooie nieuwe aanwinst, die zeker vaker gedragen zal worden als de winter weer voorbij is!

Helbros vintage chronograaf

Een chronograaf uit de jaren ’40 – niet slecht voor een horloge wat nog steeds elke dag om de pols gedragen wordt!

Ik kwam er laatst achter, toen ik op GoT mijn oude posts aan het terugzoeken was, dat ongeveer 10 jaar geleden mijn fascinatie met horloges begonnen was. In die tijd heb ik tientallen horloges gekocht, gedragen en weer verkocht. Ondertussen heb ik er nog zoveel in bezit dat mijn horlogedoos met ruimte voor 12 stuks – vrij ruim, dacht ik toen ik hem kocht – uitpuilt. Heb ik dus nog meer horloges nodig? Nee, natuurlijk niet. Maar blijf ik ze kopen? Jep, en dat gaat ook niet veranderen.

Mijn dagelijkse klokje is de afgelopen drie jaar een vintage Omega Seamaster uit de ’60s geweest die ik qua model zeer fraai vind, behalve dat het een ‘redial’ is. Dat betekent dat bij een restauratie de originele wijzerplaat is vervangen door een aftermarket exemplaar, omdat het origineel te veel beschadigd was. In deze macro-foto kun je goed zien dat de redial niet van de beste kwaliteit is – en aan de wijzers ook zien wat de originele staat van de plaat waarschijnlijk was:

Vintage Omega Seamaster

Dat wist ik toen ik het horloge kocht en vond ik destijds niet erg, maar het bleef toch een beetje aan me knagen. Bij vintage horloges wordt ‘patina’, het mooi oud worden van het object, juist ontzettend op waarde geschat. Restauraties waarbij onderdelen grof vervangen worden zodat het horloge er weer als nieuw uitziet is vloeken in de kerk. Het is zelfs zo erg not done dat je bij een vintage Rolex meteen alle waarde door de plee spoelt als je op deze manier onderdelen zou vervangen.

Daarom zocht ik al een tijdje naar een klokje wat iets gracieuzer oud was geworden, en waar nog niet zoveel aan was verkloot. Daarnaast wou ik graag ook een mechanische chronograaf hebben, een horloge waar een stopwatch op is ingebouwd. Dit zijn best complexe apparaten en daarom extra gaaf om te bezitten, vooral als ze al wat ouder zijn en het desondanks nog steeds goed doen. Dus ik was zeer tevreden toen ik dit horloge oppikte:

Vintage '40s Helbros chronograph watch #2

Deze Helbros stamt uit de jaren ’40, wat betekent dat het al ruim 70 jaar oud is. Maar na een recente servicebeurt loopt ie weer zo netjes dat ik hem elke dag probleemloos naar werk kan dragen zonder dat het horloge er last van ondervindt.

Zoals veel horlogemerken uit de pre-quartz tijd is Helbros een merk wat geruisloos dood is gegaan en we tegenwoordig nog weinig van kennen. De internetfora zijn verdeeld over de origine – het ene verhaal gaat dat er destijds Helbros warenhuizen in verschillende steden in de VS waren, die in opdracht horloges lieten bouwen bij fabrikanten en daar hun eigen naam op lieten zetten. Andere bronnen zeggen dat de Helbros Watch Company de Amerikaanse tak was van de Helbein Brothers, Zwitserduitse horlogemakers. Een oude advertentie uit 1947 laat wel een vergelijkbaar chronograaf model zien onder de Helbros Watch Company naam:

helbros-ad

Ik kwam er, zo zoekende naar meer informatie over Helbros, ook achter dat exact dit klokje recent nog een aantal vorige eigenaren had gehad. Dankzij het patina is dit exemplaar meteen te herkennen van elk ander Helbros horloge. Zo stond hij een jaar geleden ook al te koop. En een andere vorige eigenaar had zelfs deze beauty shot genomen:

tumblr_ntakuzqMF41suvpdbo1_1280

Het horloge draait van binnen op een Zwitserse Venus 170. Venus was een gespecialiseerde uurwerkmaker die z’n producten verkocht aan verschillende horlogemerken. De 170 werd gebruikt door bekende merken als Breitling, Heuer en Gallet. Het is geen topmodel uit dat tijdperk – dat waren de zeer gewilde Excelsior Parks en Minerva’s – maar zeker een respectabel stuk techniek, niet zo budget uitgevoerd als een Landeron.

De Venus 17x lijn gebruikt een ‘column wheel’ in plaats van de ‘cam’ in veel moderne mechanische chronografen; daarom zijn de knoppen gevoeliger en voelen ze minder stroef. En de layout van de kleine wijzers zijn op een Venus 170 verticaal geplaatst, in plaats van het traditionele horizontaal, wat ik ontzettend mooi vind. De onderste kleine wijzer is de normale secondewijzer; de grote secondewijzer op de plaat hoort bij de chronograaf. De kleine wijzer boven telt de minuten die de chronograaf gelopen heeft. De knop rechtsboven is de start/stop knop, terwijl de knop rechtsonder de chronograaf weer reset naar nul.

venus170

Over het uiterlijk in combinatie met het patina kan ik nog uren blijven praten. Het creme-kleurig geworden wit van de wijzerplaat, het sprankelende rood van de telemeter schaal, de diep donkerblauwe wijzers die nu haast zwart lijken. De ouderdomspatronen op de plaat, die alleen bij een bepaalde invalshoek van het licht echt opvallen, het afgebladderde chroom op de kast, de krassen en butsen die laten zien dat het horloge echt gebruikt is geweest. Alles klopt gewoon – dit is patina zoals het bedoeld is voor mij. Niet zo verneukt dat je een half weggeroest brok ijzer om de pols hebt, maar zeker niet zo nep-nieuw als een gerestaureerd model. Dit uiterlijk is respectvol gezien de leeftijd – meer dan 70 jaar oud! – van het object.

Vintage '40s Helbros chronograph watch #3

Er moest nog wel een nieuw bandje op, want zoals veel vintage horloges heeft dit klokje een ongebruikelijk maat voor het bandje: 17mm. Normale moderne horloges gebruiken bijna alleen maar even maten (bv 16mm of 20mm), waardoor de selectie bandjes in oneven maten veel kleiner is. Daarom had de verkoper er waarschijnlijk ook geen passend bandje bij gedaan, want het horloge zat op een 16mm bandje toen ik hem ontving. 1mm verschil klinkt alsof het niet veel is, maar dat zie je meteen bij een horloge. Gelukkig kon ik bij de Horlogebandenspecialist een fraai Rios bandje van struisvogelleer in 17mm vinden.

Vintage '40s Helbros chronograph watch #1

Het enige nadeel? Het horloge is relatief klein, omdat de mode voor horloges uit de ’40s sowieso veel kleiner was. Een horloge van 36mm, tegenwoordig een vrouwenmaat, werd destijds ‘oversized’ voor mannen genoemd. Dit horloge is met 32mm vrij normaal voor de periode, maar voor de gemiddelde moderne man veel te klein. Maar nu wil het geluk dat ik met m’n Aziatische genen helemaal niet zulke grote horloges nodig heb. Dit klokje past prima bij mij op de pols:

Vintage '40s Helbros chronograph wristshot

En gaat dat de komende tijd dus ook mooi doen! Denk dat het een zeer fraaie vervanger wordt van m’n Omega, als dagelijks kantoorhorloge.

ONA Union Street Cameratas

Bedoeld als cameratas, maar ook uitstekend geschikt als dagelijkse werktas.

Ik wil al ruim 5 jaar de ONA Union Street cameratas. Het is één van de mooiste cameratassen die ik ooit gezien heb, gemaakt van waxcanvas en leer in een klassieke stijl die destijds helemaal niet gangbaar was tussen de nylon Crumpler, LowePro en vergelijkbare merken. In de tussenliggende jaren kwamen er steeds meer merken bij die ook zoiets deden, maar dat eerste ONA model heeft me nooit losgelaten. Het probleem bleef de prijs: meer dan 300 euro voor een cameratas is stiekem een beetje absurd. Ik heb zelfs geprobeerd om er DIY een zelf te maken door een normale messenger tas te waxen en daarna te voorzien van camera padding. Maar dat was toch lang niet hetzelfde.

Ona-Union-messenger-bags

Toen ik vorige maand besloot om een nieuwe werktas te kopen keek ik al snel naar de standaard hipster heritage merken als Filson. De Filson 256 is een van de mooiste werktassen die er bestaat. Deze kost ook rond de 300 euro, maar voor een tas die je elke dag gebruikt is dat helemaal niet zo’n gek bedrag.

En toen bedacht ik me dat ik natuurlijk ook de ONA kon kopen voor dat geld, als werktas kon gebruiken, en dan ook nog eens veilig elke dag m’n dSLR kon meenemen. Ja, ik ben echt heel goed in het voor mezelf bedenken van rationalisaties om meer geld uit te geven :)

Dus meteen besteld in de kleur Smoke – grijs dus. Ik heb ‘m nu twee weken in bezit en ik moet zeggen: Wauw. Wat een tas.

Van buiten is het al een fraai apparaat: grijs waxcanvas, roodbruin leer. De wax in de stof zorgt ervoor dat de tas waterafstotend is, en zorgt er ook voor dat de tas net als het leer mooi oud wordt. Het doek gaat op den duur een geheel eigen karakter krijgen, omdat er vouwen en krassen in komen die het patina geven.

IMG_0979.jpg

De tas kun je dragen met het leren hengsel of de schouderriem. De schouderriem heeft een leren pad met een zachte onderkant, die prima comfortabel is. Het hengsel is wat ongebalanceerd omdat het alleen aan de achterkant zit, waardoor de tas wel schuin hangt als je hem hiermee draagt. De schouderriem staat daarom een stuk mooier. Achter het leren hengsel heb je ook nog een verborgen vak. Deze is groot genoeg voor wat documenten of een tablet die je snel bij de hand wilt hebben, en sluit met een klein magneetje.

IMG_0981.jpg

De bodem is volledig met leer versterkt, zodat die niet kan doorlekken als je de tas neerzet op een vochtige stoep of andere natte ondergrond.

IMG_0982.jpg

Het metaalwerk is uitgevoerd in ‘antique brass’, wat het net ff wat meer klasse geeft dan een standaard roestvrij staal uiterlijk.

IMG_0987.jpg

IMG_0983.jpg

De tas sluit aan de voorkant met verborgen schuifgespjes, terwijl de riempjes alleen bedoeld zijn om de klep te verstellen.

IMG_0988.jpg

IMG_0990.jpg

Van binnen heeft de Union Street verschillende padded compartimenten die je naar wens kunt instellen. De padding is superzacht en dik, dikker dan in mijn andere cameratassen, en je kunt je helemaal uitleven op de indeling. Als je wilt kun je ook alles verwijderen zodat je een volledig lege tas hebt, zonder laptop of cameravakken.

IMG_0994.jpg

Voorin zit nog een apart voorvak, gesloten met een rits, waar ruimte is voor wat losse spullen. Er zitten 4 SD-kaart vakjes in, 2 grotere vakken waar bijvoorbeeld visitekaarten kunnen, en een aantal pennenhouders. De grote vakken zijn stevig afgewerkt met leer zodat ze hun vorm blijven behouden.

IMG_1001.jpg

IMG_1000.jpg

Aan beide weerszijden zit onder het ONA logo een klein vakje waar bijvoorbeeld een flesje water in zou kunnen.

IMG_0985.jpg

De zijkanten zijn ook voorzien van extra flapjes die naar binnen vouwen als je de tas sluit; deze zorgen ervoor dat de regen buitengehouden wordt. Superhandig en eigenlijk heel raar dat dit niet op alle tassen zit.

IMG_0999.jpg

Om je een idee te geven van mijn dagelijkse indeling, dit is de tas leeg:

IMG_0992.jpg

En dit met vulling:

IMG_1006.jpg

Mijn EDC bestaat uit een 13″ Macbook Air, een Canon 60d met 24mm pancake lens, een Moleskine notebook met een Visconti Rembrandt pen in een HardGraft houder, een Western Digital USB3 externe HD, astma medicijnen en een busje deo, en verder wat kleine kabeltjes en losse spullen als een powerbank in het voorvak.

IMG_1004.jpg

Tot nu toe super tevreden mee. Ik zal over een paar maanden nog een update geven als ik er een tijdje mee heb rondgelopen, maar ik denk niet dat ik hier snel iets te klagen over zal hebben!

Boomcase v3

Oude spullen in een nieuw jasje; m’n nieuwste boomcase is een feit!

Boomcase v1 is dood, lang leve boomcase v3! V1 was mijn eerste speakerkoffer experiment, waar ik ook een hoop onderdelen in- en uitgebouwd heb om mee te testen. Dat heeft het koffertje geen goed gedaan, en het werd steeds lastiger om hem te repareren als er weer eens iets mis ging. Net voor ik hem mee zou nemen naar Frankrijk stopte opeens één van de speakers ermee en kreeg ik ‘m niet meer aan de praat. Toen was ik er klaar mee en besloot ik de onderdelen uit v1 opnieuw te gebruiken in een nieuwe, beter gebouwde koffer. Tada:

IMG_0607.jpg

Dat ziet er al een stuk strakker uit dan de vorige twee versies. Vintage leren koffers zien er geweldig uit, maar hebben als nadeel dat ze zacht zijn. Je moet een houten frame bouwen – die de hele koffer meteen twee keer zo zwaar maakt – om de speakers en andere onderdelen te dragen. Toen ik v1 bouwde was ik ook nog een totale noob op het gebied van houtbewerking, en dat zag je meteen. Niks past, alles staat schots en scheef, de halve koffer zakt steeds in. Not great.

Bij het bouwen van v2 ontdekte ik hoe handig vintage koffers van licht hout zijn, die uit zichzelf al genoeg stevigheid bieden om de speakers te dragen. Ik probeerde nog zo’n koffertje te vinden in de kringlopen in de buurt, maar die waren helemaal leeggekocht – blijkbaar ben ik niet meer de enige hipster die ze ombouwt. En toen kwam ik geheel willekeurig bij de Blokker dit koffertje tegen.

blokkerfolder

Okee, die wereldkaart is intens lelijk en het mist de echte vintage charme. Maar voor 2 tientjes heb je wel een stevig koffertje met de juiste afmetingen. Moeite van het proberen waard!

Afgelopen zaterdag begon ik om 2 uur ‘s middags met meten, plaatsen, aftekenen en zagen. In tegenstelling tot v1 wou ik nu de versterker aan een zijkant monteren in plaats van aan de voorkant, geïnspireerd door een aantal modellen op Instructables. Dat ziet er beduidend professioneler uit:

sideamp

Na 3 uur passen en meten zat de koffer vol met de juiste gaten en kon ik de oude onderdelen beginnen over te zetten. Deze koffer blijkt overigens niet van hout te zijn gemaakt; bij het boren kwam er een kartonachtige pulp uit. Maar de koffer is alsnog stevig genoeg om alles te dragen.

Untitled

De binnenkant is gevoerd met stof, die ik eigenlijk wou laten zitten. Maar de eerste keer dat ik gaten boorde in het deksel bleef de boorkop haken in de stof en anderhalve seconde later was alles uit de koffer gescheurd en om m’n boor gewikkeld. Dat had, bedacht ik me later, veel slechter en pijnlijker kunnen aflopen. Voortaan snij ik daarom de de voering eerst uit de koffer.

Untitled

Qua techniek is v3 nog steeds hetzelfde als v1: een 7200mAh 12v (scooter)accu met een accusafe regeling en ingebouwde lader, Lepai LP-2020A+ digitale versterker met ingebouwde adapter, en twee Pioneer autospeakers. Op normaal luistervolume verwacht ik met deze spullen makkelijk 20+ uur muziek te halen, op feestvermogen waarschijnlijk een uur of 10. Als ik na gebruik de accu weer wil opladen hoef ik de koffer alleen maar in een stopcontact te pluggen; de accusafe regelt verder dat de accu veilig opgeladen wordt.

IMG_0601.jpg

Na 3 uur onderdelen inbouwen, kabels afwerken en alle polariteit nog een keer checken was ik klaar. Bouwtijd is dus teruggebracht van dagenlang avondjes klussen naar 6 uur aan één stuk doorwerken. ‘Tis nog steeds niet iets wat ik winstgevend voor de verkoop zou kunnen doen, maar wel leuk om te zien hoe snel je beter wordt in dit soort geklus.

Stiekem vind ik v3 veel mooier zonder het speakergaas erop, en de eerste paar uur heb ik ‘m dan ook zonder bewonderd. Maar het is echt niet veilig om zonder gaas zo’n koffer te gebruiken, ook al lijkt iedereen online dat zogenaamd te doen. Je hoeft maar één keer per ongeluk de hoek van een tafel verkeerd aan te stoten en er zit een scheur dwars door je speaker. Zonder gaas is misschien een optie als je koffer permanent op één veilige plek in je huis blijft staan. Maar deze gaat mee naar festivals, dus nee.

Untitled

Eén feature die volledig nieuw is in v3 is een USB aansluiting, met rubber dop om in het geval van regen niet kort te sluiten. Deze plug met 2 USB uitgangen, waaronder een 2A uitgang voor tablets, is eigenlijk bedoeld voor inbouw op een motorfiets. Hij maakt van de 12v waar de koffer op draait netjes de 5v die USB nodig heeft. Ik kan hiermee vanaf de boomcase accu ook mijn telefoon opladen – dat gaat superhandig zijn op Lowlands over een paar weken.

IMG_0604.jpg

Wat moet er nu nog gebeuren? Waar ik me nog echt zorgen om maak is het handvat. Het koffertje is zelf wel stevig genoeg om de 6 kilo aan spullen te dragen, maar datzelfde vertrouwen heb ik eigenlijk niet in het handvat. Vooral de manier waarop die aan de koffer is bevestigd lijkt de term ‘decoratiekoffer’ uit de Blokker folder nogal te benadrukken. Maar dat is op zich zo opgelost met een dremel en een verstevigde plaat om ‘m aan te monteren.

Ik heb nu nooit een flauw idee hoe leeg de accu al is. Het liefste zou je een smartphone-achtig indicatortje hebben met een volle tot lege accu, maar zo simpel werkt het helaas niet. Wat je wel kunt monteren is een voltmeter die aangeeft hoeveel spanning nog op de accu staat. Naarmate de accu leger wordt gaat de spanning namelijk ook naar beneden. Als de voltmeter bij de 11.5v komt is de accu zo ongeveer leeg.

voltmeter

Daarnaast zou ik het liefst toch weer bluetooth hebben in deze case, maar het BT bordje wat ik in v1 heb getest was verschrikkelijk. Minder dan één meter bereik en het in de hand houden van je telefoon is al genoeg om het signaal te verbreken. Maar het is mogelijk om BT antennes te vervangen, en dat zou natuurlijk weer een prima oplossing kunnen zijn om de ontvangst te verbeteren.

En eigenlijk ziet deze koffer er veel te nieuw uit. Ik heb al wat ideeën over hoe ik wat nep patina kan aanbrengen om toch het vintage effect te krijgen, en dan meteen die wereldkaart eraf te schuren. Deze guide van Mythbuster’s Adam, die laat zien hoe hij z’n props een oud uiterlijk geeft, geeft ook genoeg inspiratie:

Nog genoeg te doen dus! En wat gebeurt er met de restjes van v1? Tjah, ik kon het toch niet over m’n hart verkrijgen om die koffer nu weg te gooien. Dus misschien komt er daar toch ook weer een projectje uit…

Polaroid Colorpack 100 packfilm camera

Packfilm was Polaroid’s oudere techniek, van voor ze de witte instant frames hadden ontwikkeld. Ik kocht een oude packfilm camera om te kijken of dat tof spul zou zijn…

De Polaroidfilm die iedereen wel kent, zo’n witte vierkante frame die uit de camera glijdt en waar vanzelf een foto in verschijnt, was niet Polaroid’s eerste instantfilm. Voordat deze integral film bestond had Polaroid namelijk al een andere instant techniek: de packfilm. Packfilm, ook wel bekend als peel-away film, is minder geavanceerd en kan het chemische proces om een foto te ontwikkelen niet automatisch stoppen. Daarom moet je na ongeveer twee minuten het negatief met ontwikkelchemicaliën eraf trekken. Dan stopt het proces en eindig je met in je ene hand de uiteindelijke foto en in je andere de restjes met een kleverig chemisch goedje.

peelfilm

Ik had al eerder van packfilm gehoord, maar dacht eigenlijk dat het allang niet meer gemaakt werd. Toen een vriend opmerkte dat hij nog steeds packfilm van Fuji kocht en dat deze goedkoper was dan Impossible’s integral film wou ik daar best eens mee experimenteren.

fp100c

De enige packfilm die je nog kunt krijgen is de Fujifilm FP-100c. Dat is een kleurenfilm; tot voor kort hadden ze ook een zwart/wit film (FP-3000b) maar sinds de productie daarvan gestopt is zijn de resterende pakjes film flink in prijs gestegen. Een stuk minder interessant om mee te spelen dus. FP-100c daarentegen kun je voor 10 euro per pak van 10 foto’s krijgen. Er waren vroeger twee soorten packfilm: type 80 en type 100, alleen verschillend in afmeting. Fuji’s film is type 100, wat betekent dat je goed moet opletten als je een Polaroid packfilm camera zoekt. Type 80 film wordt niet meer gemaakt dus type 80 camera’s zijn eigenlijk alleen nog maar als decoratie geschikt. Je kunt een type 80 camera wel aanpassen om type 100 film te gebruiken, maar dan moet je zowel de camera als de film flink verbouwen (lees: slopen). Daar wordt niemand gelukkig van.

Polaroid heeft door de jaren heen packfilm camera’s voor elk budget gemaakt, waardoor er veel verschillende varianten bestaan. De mooiste type 100 camera’s zijn de vouwende metalen varianten met balg, Zeiss Ikon rangefinder en glazen lenzen, maar die kosten in goede staat nu een paar honderd euro. Net even teveel voor een experimentje.

land350camera

Veel interessanter om mee te beginnen zijn de plastic rigid body – niet vouwende – camera’s. Die zijn vergeleken met de dure vouwende versies eigenlijk een soort speelgoedcamera’s waarbij alles van gammel plastic is, zelfs de lens. Maar je kunt op eBay en marktplaats voor haast niks een type 100 rigid body camera krijgen. Na een avondje zoeken was ik voor een tientje, inclusief verzendkosten, een camera rijker.

Plastic fantastic: Polaroid Colorpack 100 packfilm camera

Mijn nieuwe aanwinst is een Polaroid Colorpack 100. Volgens de Land List was dit een van de meer recente exportversies van de Amerikaanse Colorpack lijn, gemaakt tussen 1975 en 1976. Polaroid’s integral film bestond toen al, maar packfilm camera’s werden nog gemaakt en waren veel goedkoper. De term plastic fantastic wordt wel vaker gebruikt als het om plastic camera’s gaat, maar dit is toch wel echt het toppunt. Het enige metaal wat je aan de buitenkant kunt ontdekken is de klem aan de zijkant die de achterkant dichthoudt (!!!). De camera is verder ontzettend simpel: een schuif om de ISO te wisselen tussen 75 (kleurenfilm) of 3000 (zwart/wit film), een knop om de sluiter te bedienen, een draaiende lens waarmee je de focusafstand op de gok instelt en daarnaast een draaiknop waarmee je de foto lichter of donkerder kunt maken. Aan een zijkant heb je ook nog plek voor een flashcube, de weggooi-flitsers die ze vroeger gebruikten, aan de andere een soort keukenwekker waarmee je de tijd kunt aftellen voordat je je film mag opentrekken.

Er moeten 2 AA batterijen in een goedkope rigid body, wat erg handig is want de duurdere packfilm camera’s gebruiken obscure batterijen die niet meer gemaakt worden. De lichtmeter en daardoor de sluiter worden door de AA’s van stroom voorzien. Zonder stroom gaat de sluiter niet goed af en krijg je alleen maar pikzwarte foto’s. Om te testen of de camera werkt kun je deze simpele test uitvoeren:

Het eerste pakje FP-100c film kocht ik bij een lokale fotowinkel zodat ik snel kon testen. Ironisch genoeg koste dat pakje vijftien euro, waardoor de waarde van de camera meer dan verdubbelde nadat ik de film erin gestopt had. Het laden van film in een rigid body packfilm camera is heel simpel: Je haalt de klem eraf, opent de achterkant, duwt het pakje film erin, sluit de camera weer met de klem en trekt de zwarte beschermende folie eruit. Klaar!

Het nemen van een foto stelt ook niet heel veel voor. Zet het plastic schuifje op ISO 75 want ook al is FP-100c stiekem ISO 100, dat verschil merk je toch niet. Gok de afstand van jou tot je onderwerp, stel dat op de lens in en druk op de sluiter. Klik. Het witte papieren tabje aan de zijkant van de camera zit altijd vast aan de net genomen foto, als je daar aan trekt komt die foto uit de opening ernaast rollen. Tada! Stiekem blijkt dat treksysteem trouwens echt ontzettend ingenieus te zijn, maar daar merk je als gebruiker verder heel weinig van. En dat zijn natuurlijk de beste uitvindingen.

Het eerste boeiende onderwerp wat ik vanaf de fotowinkel tegenkwam was de Tivoli Vredenburg. Klik, trek, rol… en na twee minuten wachten – hoera voor de ingebouwde keukenwekker – mocht ik de foto opentrekken:

Eerste packfilm testfoto peelen...

En daar was ie dan, m’n eerste packfilm foto van de gevel van de nieuwe Tivoli:

Tada! Packfilm picca van de Tivoli Vredenburg ????

Wat me meteen opviel was hoe anders deze ervaring was dan de eerste keer dat ik schoot met Impossible film in mijn Polaroid SX-70. Het grote verschil? Dit spul werkt wel goed.

Ik wil niet lullig doen, want Impossible heeft natuurlijk ook een flinke kluif gehad aan het opnieuw maken van Polaroid’s integral formule met de chemicaliën die tegenwoordig nog verkrijgbaar zijn. Maar je merkt wel meteen dat Impossible’s chemische brouwsels eigenlijk in een soort permanente beta zitten, terwijl Fuji’s film al decennia lang in deze vorm geproduceerd wordt en precies werkt zoals het ooit bedoeld was.

Resultaat eerste pakje Polaroid packfilm!

M’n eerste pakje heb ik meteen opgeschoten en ik denk dat ik de komende tijd nog wat film ga bestellen. Ik vind de resultaten mooier dan de Impossible film die ik tot nu toe geprobeerd heb en het opentrekken een stuk leuker dan het half uur wachten tot de foto op een Impossible frame verschijnt. Ook de prijs bevalt beter: Impossible kost 2,50 euro per foto terwijl Fuji’s film maar 1 euro per foto kost. Nog steeds niet goedkoop, maar zeker niet het niveau kapitaalvernietiging waar Impossible voor staat.

FP100C-negative

Ook een leuk detail is dat de negatieven uit FP-100c film terug te halen zijn nadat de foto gemaakt is. Als je het overgebleven stuk film even laat opdrogen kun je met wat bleek en een beetje geduld de zwarte coating en de resterende chemische meuk eraf halen. Na het schoonmaken hou je een filmnegatief over met een gigantische 8,5×10,8 centimeter afmeting. Zelfs mijn medium format negatieven zijn maar 6×6 centimeter. Helaas blijft zo’n Colorpack verder een plastic speelgoedcamera, dus het is niet alsof er echt een ongekende wereld aan detail in het negatief verborgen zit, maar dit lijkt me supertof om mee te experimenteren.

Freelens camera

Misschien is dat ook een goede motivatie om op zoek te gaan naar een betere packfilm camera, want als ik ‘m vaker ga gebruiken zullen de limitaties van de plastic fantastic me vast snel tegenstaan. Optisch gezien hebben de betere modellen een glazen lens, wat voor beduidend scherpere foto’s zou moeten zorgen – dan wordt zo’n 8,5×10,8 negatief wat je in kunt scannen opeens wel boeiend. Met uitzondering van de rigid body Colorpack II zat die glazen lens alleen in een aantal vouwende modellen. Een goed overzicht van de Polaroid modelnummers en bijbehorende uitvoering kun je hier vinden. De mooiste zijn de volledig metalen modellen met Zeiss Ikon rangefinders – de 250, 350, 360 en 450 types – maar daar wordt ook meteen de hoofdprijs voor gevraagd. De iets lagere modellen met Polaroid’s eigen rangefinder, zoals de 240, 340 en 440, zijn vaak slechts een fractie van de prijs van de Zeiss versies. Hmmm… Tijd om eBay maar weer eens af te zoeken!

Toshiba Flashair II en Shuttersnitch op een iPad

Hoe je ‘bijna’ instant foto’s van je camera kunt previewen op de iPad…

Bij tethering gebruik je jouw camera met een kabel verbonden aan een computer, zodat je meteen de foto die je net geschoten hebt kunt zien op een groot scherm. Zo’n instant preview is een stuk handiger dan achterop je camera kijken en hopen dat het uiteindelijk een beetje lijkt op wat het kleine schermpje laat zien.

Tethered Shooting

Het probleem van tetheren is natuurlijk ook meteen duidelijk: je zit met een kabel vast aan een computer. Als je een laptop hebt en een hele lange kabel valt daar nog wat voor te zeggen, maar het wordt toch lastig om een iMac mee te slepen naar een fotoshoot buiten.

Maar daar is nu een interessant alternatief voor: de iPad app Shuttersnitch, in combinatie met een SD-kaart waar ook WiFi op zit. De iPad maakt dan verbinding met de WiFi van de SD-kaart, om op die manier foto’s vanaf de camera naar Shuttersnitch te sturen en daar te bekijken.

teardown

Een iPad had ik al en Shuttersnitch was met één klik in de appstore gekocht – wel een prijzige app (€16,99) – dus het enige wat ik nog nodig had was zo’n SD-kaart. Er zijn een aantal verschillende merken beschikbaar, waaronder de Eye-Fi, PQI Air, Transcend Wifi, Trek Flu, Toshiba Flashair en de ezShare WiFi. Mijn lijstje met eisen was simpel:

  • Minstens 16gb opslagruimte
  • Minstens class 10 snelheid
  • Geen problemen met Magic Lantern (een alternatieve firmware voor Canon camera’s)
  • Geen problemen met Shuttersnitch
  • Laagst mogelijke prijs

toshiba-flashair-ii

Na een nachtje onderzoek kwam ik uit op de Toshiba Flashair II 16gb. Dit II model is in tegenstelling tot de oude I versie wel class 10, en omdat de nieuwe III is uitgekomen al voor 30 euro verkrijgbaar. Dat is een stuk goedkoper dan alle concurrenten (de Eye-Fi’s vallen overigens dubbel af omdat ze niet met Magic Lantern kunnen samenwerken). De Flashair heeft ook een eigen gratis iOS app, maar die wordt door iedereen afgeraden.

shuttersnitch

Het werkend krijgen van de combinatie van Flashair, iPad en Shuttersnitch bleek nog wel vrij lastig. Een aantal tips:

  • Update voor het eerste gebruik de firmware van de Flashair.
  • Om de iPad goed te laten verbinden met dit WiFi netwerk moet je enkele instellingen veranderen.
  • Stel bij Shuttersnitch in dat de app met een Flashair verbinding moet maken.
  • Stel je camera in om zowel in RAW (voor jou) als JPG (voor Shuttersnitch) op te slaan.
  • Zorg ervoor dat Shuttersnitch alleen de JPG bestanden opent, en niet de RAW, door de optie ‘Accept JPEGs only’ aan te zetten.
  • Laat je camera de JPG maken in de kleinste resolutie die je iPad-scherm vult. Op mijn Canon 60D bijvoorbeeld kies ik voor optie S2 (1920×1280) in plaats van L (5184×3456), omdat mijn iPad Mini maar een resolutie van 1024×768 heeft.
  • Om onduidelijke redenen sloeg mijn camera de foto’s op in een bestaande map van de Flashair, en de Flashair wou weer geen JPG’s versturen vanuit die map. Ik moest zelf op de computer een Canon style folderstructuur aanmaken op de Flashair om dat te verhelpen.

Een beetje gedoe, maar als het eenmaal werkt is het super simpel: aan het begin van een nieuwe shoot start je jouw camera. Na een aantal seconden is de Flashair dan ook opgestart en is er rondom de camera een nieuw WiFi netwerk aanwezig. Verbind je iPad met dit netwerk en open Shuttersnitch. Start in die app een nieuwe collectie voor deze shoot – als je niet in een collectie zit weigert de app foto’s te ontvangen. En voila: vanaf dat moment kun je foto’s schieten en ze vervolgens draadloos op de iPad bekijken. Met mijn instellingen zitten er zo’n 8 seconden tussen het schieten van de foto en het verschijnen ervan op de iPad.

Meteen een wireless preview van m'n dSLR pics op de iPad! Supervet.

Die 8 seconden was ik eigenlijk best teleurgesteld over – het is uiteindelijk nog best veel, en zeker niet zo ‘instant’ als bij bedrade tethering. Het zou ook alle snelheid uit een shoot halen, zeker als je modellen hebt, om steeds 8 seconden te moeten wachten voordat je de volgende foto schiet. Wat wel goed kan is in korte series schieten, om vervolgens op de iPad door een stuk of 20-30 foto’s te bladeren om te kijken of je globaal veranderingen wilt maken.

collection

Maar het zou ook heel goed kunnen dat je veel minder last hebt van die 8 seconden als je een nieuwere iPad bezit. Een groot deel van die tijdsduur lijkt namelijk niet besteed te worden aan de overdracht, maar aan een aantal berekeningen die de iPad moet uitvoeren voordat de foto getoond wordt. Mijn iPad Mini loopt ondertussen al aardig achter met slechts een A5 (dualcore 1ghz) processor, terwijl de nieuwste Air2 een A8X (triplecore 1,5ghz) heeft. Een snellere berekening zou betekenen dat de foto ook veel sneller getoond wordt – al kan het retina scherm van de Air2 weer grotere JPG’s aan, die er weer langer over doen om verstuurd te worden. Alsnog lijkt het me de moeite van het testen waard.

benchmark

Niet alleen op de iPad moet je wachten, ook op de computer is de Flashair geen snelheidsduivel. Het class systeem voor SD-kaarten is een soort minimumspecificatie: het getal is het aantal MB per seconde dat de kaart minstens aan kan. Class 10 is daarom minstens 10MB per seconde lezen en schrijven. Maar officieel gaan die classes niet verder dan 10, terwijl iedereen al veel snellere kaarten maakt. Mijn normale SD-kaarten, de Sandisk Extreme III’s, kunnen volgens de fabrikant 45MB per seconde halen. De Flashair is volgens verschillende benchmarks wel een class 10 (al is niet elke review het daar mee eens) maar op z’n best nog niet eens half zo snel als m’n Extremes. Dat merk je meteen wanneer je de Flashair direct in je computer plugt om de RAWs te importeren; Lightroom doet er vergeleken met de Extremes 2 tot 3 keer zo lang over.

IMG_9872.jpg

Een van de eerste shoots die ik deed was de kamer van Aniek. Die had voor een advertentie goede foto’s nodig en die wou ik best voor haar maken. Een grote preview tijdens het schieten van dit soort foto’s blijkt extreem handig. Kleine ongewenste details kunnen gemist worden tijdens het aankleden van de ‘set’ en op het kleine scherm achterop de camera valt vaak ook niet alles op. Je kunt ongewenste elementen natuurlijk achteraf photoshoppen, maar het is handig als je met één zoombeweging op een iPad al meteen duidelijkheid kunt krijgen.

IMG_9820.jpg

Dus voor product- en huisfotografie, of andere projectjes waar niemand anders bij aanwezig is, maakt dat beetje vertraging op zich niet uit terwijl de combinatie wel veel voordeel oplevert. Maar wat als je te maken hebt met modellen? Ik heb ook drie shoots gehad waar ik deze combinatie juist met mensen heb gebruikt. Eerst waren er twee profielfoto shoots, voor Thomas en voor Anneke.

thomas

Bij Thomas werd de iPad vooral gebruikt om tijdens de shoot een indruk te krijgen van de voortgang. De iPad lag tussen ons in, op de grond, zodat we allebei tijdens het schieten de foto’s konden bekijken. Voor mij handig om op een groot scherm om de zoveel tijd mijn belichting te checken, voor hem goed om on-the-go een beeld te krijgen van zijn pose en look. Maar we stopten dus niet na elke foto de shoot om te kijken hoe die foto geworden was.

Voor Anneke was de iPad handig, omdat ze na de shoot meteen een selectie kon maken van foto’s die ze mooi vond en nabewerkt wou zien. Shuttersnitch heeft een simpel 1-tot-5 sterren systeem waarmee je elke foto kunt beoordelen en afgekeurde foto’s meteen al in de app wegfiltert. Via de SnitchSync plugin – die ik overigens pas na deze shoot ontdekte en nog niet zelf geprobeerd heb – kun je deze sterretjes vervolgens automatisch in Lightroom importeren. Superhandig. Hier kwam de iPad dus aan het eind van de shoot pas aan bod, tijdens het nemen van de foto’s keken we er niet eens naar.

De laatste shoot was een theaterworkshop op locatie voor Buro Bis. Er was gevraagd om een aantal sessies in verschillende zalen in het pand te fotograferen. De iPad bleef daarbij de hele tijd op één plek bij m’n gear liggen, terwijl ik heen en weer rende om alle foto’s te nemen.

a-workshop-12

Hier kwam meteen een limitatie van deze oplossing om de hoek kijken. De SD-kaart heeft een miniscule antenne, die bij mij ook nog eens wordt omringd door een zware metalen camera. Het bereik van het WiFi netwerk is daardoor op z’n best een paar meter. Loop je iets te ver van de iPad vandaan, dan wordt de connectie verbroken. Op locatie is dat iets minder vervelend, want daar heb je waarschijnlijk geen andere netwerken op de iPad ingesteld en maakt de iPad automatisch weer contact zodra je terugloopt. Maar thuis is dat extra irritant: de iPad schakelt dan meteen over op je normale WiFi netwerk en maakt niet automatisch weer contact met je camera. Die moet je dan handmatig aanpassen. Bij het opnieuw maken van contact met de SD-kaart krijg je eerst van Shuttersnitch de vraag of je de in de tussentijd gemaakte foto’s ook nog wilt downloaden. Weer een handmatige stap, waarbij je dan ook staat te wachten tot alle missende foto’s zijn doorgestuurd voor je weer nieuwe foto’s kunt previewen.

Door dit probleem maakte ik tijdens deze workshop shoot eigenlijk nauwelijks gebruik van de iPad. Ook naderhand bleef de iPad ongebruikt, want er waren vele honderden foto’s geschoten. Veel van die foto’s waren onderbelicht door het gebrekkige licht op de locatie, maar dat zou prima naderhand op te lossen zijn in Lightroom. Nu nog die honderden foto’s importeren en nalopen om alles een beoordeling te geven zou dus niet alleen vervelend zijn, maar ook geen goede weergave geven van het uiteindelijke te verwachten resultaat.

We zijn er dus nog niet helemaal met deze combi. Al met al ben ik zeker overtuigd van het nut van een draadloze preview, maar ben vooral nog niet tevreden over de snelheid – zowel die van het draadloos schieten over WiFi, als die van direct kopiëren naar de computer. Misschien dat andere of nieuwere kaartjes sneller zijn, de Flashair II is natuurlijk al wat ouder. Maar volgens het persbericht van Toshiba over de III zijn er daar vooral in de interface en tools vernieuwingen aangebracht, niet in de hardware. Ik denk daarom dat deze oplossing vooral geschikt is voor de enthousiaste hobbyist, en het nog een tijdje zal duren voordat dit terecht komt in de workflow van een semi-pro.

PS. Als je wat technischer aangelegd bent kun je in plaats van de Flashair ook een Transcend WiFi kopen. Werkt hetzelfde met Shuttersnitch, maar dankzij vrij matige beveiliging zijn deze gehackt en leuk om mee te experimenteren. Ooit een webserver op een SD-kaart willen hebben? Nu kan het!

Boomcase v2

Combineer een vintage danskoffertje, een versterkertje en accu uit China, een autospeaker en wat losse kabeltjes en onderdelen… en wat krijg je dan?

Vorig jaar heb ik, als leuk projectje voor in het park en op festivals, mijn eigen boomcase gemaakt. Een speakerkoffer met ingebouwde accu waarmee je een flink aantal uur op degelijk volume muziek kunt luisteren. Vergelijkbaar met die kleine Bluetooth speakertjes die nu populair zijn, maar dan wel met volume, accuduur en genoeg ademruimte om goede audio kwaliteit te leveren.

Een vriendin, die haar eigen theaterbureau begonnen is, keek het afgelopen jaar al een paar keer verlekkerd naar mijn creatie. Zoiets zou ze ook wel kunnen gebruiken als ze op locatie geluid nodig had, want zo’n koffer heeft een stuk creatievere vibe dan een standaard PA set. Met haar verjaardag in aantocht leek het me supertof om nog zo’n boomcase te bouwen en als cadeau te geven!

Maar mijn eigen koffer weegt, nu alles ingebouwd is, een ruime 8 kilo. Ik vind hem zelf eigenlijk al te zwaar om mee te nemen naar het park, laat staan als ik ‘m steeds voor m’n werk zou moeten meenemen naar verschillende locaties. In plaats daarvan werd het mijn doel om een zo licht mogelijke boomcase te bouwen. En nu, een paar weekjes later, ben ik best tevreden over het uiteindelijke resultaat!

IMG_0521.jpg

IMG_0523.jpg

Not too shabby. Of, eigenlijk, juist heel erg shabby en daarmee dus perfect de vintage look die ik zocht te pakken.

IMG_0552.jpg

Bij één van de lokale kringlopen vond ik een oud koffertje van leer en canvas over een dun houten binnenwerk, waar met legerstencils in het wit DANS op was geschilderd. Lekker licht, maar door het binnenwerk wel stevig genoeg dat ik zelf geen zware binnenkant meer hoefde te bouwen. Waarschijnlijk was de originele eigenaar leerling bij een dansschool en nam hij hierin zijn spullen mee? In ieder geval leek dit me perfect voor theaterworkshops, met een zeer gepast commando erop.

IMG_0555.jpg

Het prachtig verweerde canvas en het door ouderdom en gebruik aangetaste patina van het leer was ook exact wat ik in m’n hoofd had toen ik een koffertje zocht voor dit project. Ik had echt niet iets met meer karakter kunnen vinden.

IMG_0536.jpg

De handgreep is misschien het mooiste deel van deze koffer, gemaakt van leer gebonden om een kurkvorm. Het leer is door het jarenlang vasthouden een prachtig donker cognac tintje geworden. Ook het oude merkje – dit is original bagage van Giovanni – is een onmiskenbaar fraai detail.

IMG_0553.jpg

Bij het ijzerwerk zijn niet alle popnagels nog aanwezig, sommige zijn door de jaren heen al afgebroken. Ik heb zelf geen popnageltang dus heb met kleine schroeven deze onderdelen opnieuw vastgezet. Deze DIY reparaties vallen niet ontzettend op, en voegen wat mij betreft juist wat extra charme toe aan de koffer. Hij is daadwerkelijk zo oud dat niet alle delen meer origineel kunnen zijn.

IMG_0541.jpg

Links en rechts zitten stoffen riempjes om ervoor te zorgen dat de koffer niet te ver open kan klappen. Deze waren beide kapot gescheurd, maar heb ik opnieuw vastgezet met een boutje en een moertje.

IMG_0544.jpg

En dan komt natuurlijk ook nog de technische kant van het verhaal, al valt zoals je hier kunt zien het heel erg mee hoeveel werk daar in zit.

IMG_0550.jpg

Ten eerste de accu. Mijn eigen boomcase draait op een gelaccu die eigenlijk bedoeld is voor scooters, maar dat ding is verschrikkelijk zwaar en vereist extra electronica en een ingebouwde druppellader om er veilig gebruik van te maken. Een veel lichter alternatief zijn deze blauwe lithium-ion accu’s uit China. Het voordeel is dat ze betaalbaar en makkelijk in gebruik zijn. Het nadeel is dat het Chinees spul is: het werkt, zolang het werkt. Garanties bestaan niet en de beloofde capaciteit mag je sowieso door drie delen. Maar voor het doel, een zo licht mogelijke koffer, vond ik dat een acceptabele afweging.

IMG_0530.jpg

Door de laadaansluiting te verplaatsen naar de buitenkant kan de accu ook opgeladen worden zonder dat je kabels in de koffer zelf hoeft te pluggen.

IMG_0545.jpg

Om vervolgens met die stroom ook daadwerkelijk muziek te maken heb je een versterker nodig. Populair voor dit doel zijn deze Chinese TA2024 versterkers. Het is een simpele, lichte class D versterker die met vrij weinig vermogen al veel en kwalitatief acceptabel geluid weet te produceren. Om goed te werken met zwakke bronnen als telefoons en mp3 spelers moet je nog wel een kleine aanpassing maken door er 2 extra weerstanden op te solderen.

IMG_0542.jpg

Naast de versterker moet je speakers hebben om geluid te maken. Mijn keuze viel op een Pioneer autospeaker. Autospeakers zijn gecombineerde speakers – naast een woofer voor midden en lage tonen hebben ze in het midden ook een tweeter voor hoge tonen zitten. In een normale speaker zijn dit 2 aparte onderdelen, met extra electronica om het juiste signaal naar elk deel te sturen. Een autospeaker is door de combinatie een stuk simpeler voor zo’n koffer dan een normale speakerset. Door ook maar één autospeaker te gebruiken wordt het gewicht weer gehalveerd. De koffer is toch niet zo breed, waardoor er geen overtuigend stereobeeld kan worden neergezet. Mono is dan prima voor dit doel.

IMG_0557.jpg

Met twee speakers wil je een stereo signaal, maar met slechts één speaker heb ik een mono signaal nodig. De nette manier om dat te doen is door zowel het linker als rechter signaal met elkaar te combineren, te ‘summen’. Daarom soldeerde ik van een paar weerstandjes een hele simpele stereo-mono summer. Dat zit verborgen in de blauwe krimpkous van de minijack aansluiting.

n109fig2

IMG_0547.jpg

Ook de minijack aansluiting is naar de buitenkant van de koffer geplaatst. Op deze manier kun je met een standaard koptelefoonkabel een telefoon, mp3speler of andere geluidsbron aansluiten zonder dat de koffer open hoeft.

IMG_0540.jpg

Door de binnencirkel van de kap af te tekenen op het deksel van de koffer had ik een goede lijn om te volgen met de decoupeerzaag. Ik maakte me hier nog zorgen om, want dit ging een paar keer mis bij mijn originele boomcase, maar nu ging het meteen goed. Na het uitzagen van de cirkel paste de speaker zonder enig probleem in het gat.

IMG_0532.jpg

De origineel zwarte kap spoot ik perfect wit om beter te matchen met de witte DANS letters. Maar het pure wit blijkt helemaal niet te passen bij de verweerde looks van de koffer. Met wat schuurpapier maakte ik daarom de verflaag grover, spoot er een lichte zwarte waas over voor textuur en gebruikte koude koffie (!!!) om een aantal bruine vegen toe te voegen. Het resultaat lijkt misschien wat viezig, maar past daardoor veel beter bij de rest van de koffer.

IMG_0531.jpg

Om de kap helemaal af te maken wou ik het logo van haar theaterbureau op de plek hebben waar origineel het Pioneer logo zat. Door het logo op transferpapier te printen kreeg ik een decal, zo’n watersticker die je misschien nog wel kent van de plastic modelbouwkitjes uit je jeugd. Na de decal vochtig te maken kun je hem – als je een beetje behendig bent – zo van het papier schuiven op het plastic. Ik ben helaas niet zo behendig, dus had 12 pogingen nodig voor het een beetje wilde lukken. Maar een paar lagen blanke lak later zit de decal nu fraai en onzichtbaar op de kap.

IMG_0563.jpg

En toen was ie al af! Ook dit keer had ik het niet kunnen doen zonder de hulp van de GoT leden die in het Krat- en Kistradio topic posten. Als je nog getwijfeld hebt over het zelf maken van zo’n speakerkoffer na het zien van mijn vorige post, laat die twijfel dan varen: het hoeft helemaal niet zo moeilijk te zijn. Zoals je in deze post kunt zien kun je ook met weinig onderdelen een simpele en lichte, maar nog steeds erg gave, boomcase bouwen!

DIY Sous-Vide Machine (English translation)

An English translation of my sous-vide blog posts. Find out what sous-vide cooking is and how to build your own DIY sous-vide machine!

Though my blog is usually in Dutch, a request for an English version of my sous-vide posts was made as the Google Translate version was hilarious yet decidedly uninformative. I’ve compiled both parts into a single blogpost for your enjoyment. It starts off with some background on my own first experiences with sous-vide, so if you just want help creating your own Rex-C100 PID based sous-vide machine keep scrolling down until you hit the halfway point!

The problem of cooking large pieces of food in a pan is that heat is not transferred equally to every part. Everyone has had that strip of meat that is just the perfect medium-rare on the inside, but scorched black on the outside. Or the fish filet that has the perfect crust, but is still frozen solid when you cut it open. Sous-vide, French for ‘under vacuum’, is a method that tries to solve this problem. Using sous-vide your food is sealed in a vacuum bag and submerged in water. The water is set to a specific temperature and the food is kept there until it reaches that same temperature. Using this method your food reaches its perfect level of doneness without any burnt parts, while the vacuum bag keeps any of the taste from being lost to the water. According to some top chefs you’ll get the perfect steak if you leave it in a sous-vide machine for 2 hours at an ideal 55 degrees Centigrade.

Screenshot 2015-01-09 03.51.10

I’d tried something like that before: Timothy Ferris’ book 4 Hour Chef has a sous-vide recipe, where you spend one and a half hour next to a stove with a thermometer in a pan of water. The water contains a freezerbag filled with chicken that needs to be kept to 63 degrees Centigrade. If the temperature drops below 63, turn up the stove. If it rises above 63, turn it down. A great idea, until you spend the next one and a half hour being extremely OCD afflicted. Wasn’t planning on doing that again.

Anova_2013 0264_v1

Instead of staring at a stove you can pick a pre-built sous-vide machine, like the much praised Anova One. It doesn’t get simpler than this all-in-one device: fill a pan with water, put the Anova in, set the temperature – done! The Anova regulates everything without you ever having to touch it again. That ease just comes at a cost of about 200 dollars…

volkskrant

And that’s when I saw this article in the Volkskrant. Creating your own sous-vide machine by combining a PID (Proportional-Integral-Derivative) controller with a heatsource like a watercooker. The PID, an industrial thermostat, learns how turning the cooker on and off influences the temperature over time. For example, when you normally turn a cooker off the heating element will remain warm and keep heating the water for a while. The PID can learn from this overshoot behaviour and compensate for it in the future, turning the cooker off early so the remaining heat brings the water up to the desired temperature instead. By compensating constantly the PID can keep the temperature within a very precise band. And any heatsource can be used instead of a watercooker – rice cookers and deep fryers are popular too – as long as the PID learns to compensate for the specific behaviours of your setup.

rexc100

The PID the Volkskrant uses is the Chinese Rex-C100, available at Amazon for 30 euro according to the newspaper. For that money you don’t just get the PID, it includes a thermocouple (the thermometer) and a solid state relay (the switch that turns your heatsource on and off) that are also necessary for the project. That might sound cheap, but it’s actually twice as much as they would’ve paid if they had just bought it directly from China: Banggood sells the same kit for 14 euro. So of course I had to try it out.

‘Try’ being the operative word, as it turned out to be a bit harder than I expected. What should’ve been a 1 hour project stretched to a few days I spent reading the indiscernible Chinese manual, trawling through conflicting online guides and scouring for a few missing parts. Suffice to say it was worth it, because my efforts resulted in this majestic creation:

IMG_9769.jpg

Uh, yeah, so that’s a bit of an anticlimax. But believe me, it works better than it looks. The ugly plastic storage box still keeps the parts dry, which is kinda nice considering there’s 230 volts running through them, and because I used a standard outlet I can plug in any heatsource I want. Sure, I could have used an actual project box, I could have used a nice built-in power connector, but really – what would’ve been the fun of that?

IMG_9776.jpg

So what’s the first thing we’re gonna try? Eggs!

Not just because that’s what the original Volkskrant article was about, but also because it’s a standard test for any DIY sous-vide machine. By setting it to the perfect temperature you can make eggs where the yolk has this custard structure – not hardboiled, not soft, something in between that’s not attainable in any other way. But it’s a very precise temperature, much more precise than in any other sous-vide recipe. If your sous-vide machine deviates from the set temperature too much you’ll get a regular hard or soft egg, which would be kind of shit for all the effort you put in. Serious Eats has a lengthy article that I would recommend to everyone.

I set the PID for 64 degrees Centigrade, because according to this video from a sous-vide machine brand that’s the perfect temperature to create custard eggs. After a brief heating period the cooker was at the desired temperature – but was the PID right? For an extra quick check I used my cooking thermometer.

IMG_9778.jpg

Hmmm, 63, not bad. One degree lower than the PID says it is. Of course the problem is that I don’t know if my cooking thermometer is right either. And more importantly, both are rounding the temperature down to whole degrees. Maybe the cooking thermometer thinks it’s 62,5 degrees, while the PID thinks it’s 64,4. Or maybe the thermometer thinks it’s 63,4 degrees and the PID 63,5. No clue.

But that can wait. After the recommended 55 minutes I took out my egg, peeled it and cut it in half…

IMG_9781.jpg

Okay, that was not what I expected. According to the online guides this should be safe to eat, even though it looks like liquid salmonella. After the first few cautious bites it turned out to be quite tasty, like an extremely soft egg. But not the custard egg I was promised.

Serious Eats says time is also a factor. Maybe 55 minutes in my DIY setup wasn’t long enough? To test that I kept the next egg in the cooker for 2 and a half hours. So after more waiting, peeling and cutting I got…

IMG_9782.jpg

Better I guess, but still very liquid. Tasted good and the yolk was creamier, it could even be spread on toast like suggested in the video. But this still looks too much like liquid salmonella for my tastes.

I did one last attempt with an egg, but now at 66 degrees instead of 64. In the Serious Eats article that was the temperature at which the picture of their test eggs looked most like the description of a custard egg. 55 minutes later I cracked it open and…

IMG_9783.jpg

Wow. It’s just 2 degrees of difference, but suddenly the yolk has this custard-like appearance and the white actually retains an egg-shape after cutting. This is kinda cool.

IMG_9789.jpg

But a test with eggs is not a true test. Meat is the only true test! A nice piece of steak, to be exact. Serious Eats has another lengthy article you should read. According to them 45 minutes at 55 degrees should be sufficient to get the perfect medium-rare piece of cow on your plate. But because I’m becoming a bit wary of my PID, it might be reading higher temperatures than I’m actually getting, I decide to make it 1 hour at 57 degrees just in case.

IMG_9788.jpg

I had a piece of steak still lying in the freezer, and the plastic it was already vacuumsealed in was fine to use for sous-vide. This did mean that I couldn’t add salt and pepper or other spices to the steak, but it’d be fine for a first test. After defrosting in the fridge the steak went into the cooker and an hour later…

IMG_9791.jpg

Okay, that doesn’t look very tempting, but hey, it’s a work in progress. Maybe it’s better if we take it out of the bag.

IMG_9794.jpg

No. That’s definitely not better.

IMG_9798.jpg

Luckily I’d read beforehand that you need to finish any sous-vide meat in the pan, so I knew what I was getting into. 1 minute at your highest scorching heat on both sides will give you enough maillard reaction to get you that nice traditional brown steak crust. After that I sliced it open to take a look…

IMG_9804.jpg

Goddamn, nice. I’m drooling just seeing these pictures again.

IMG_9806.jpg

So tender. So tasty. So unexpectedly good for a first test. So worth getting redflagged as a bombmaker on the internet over.

Now I bet you want to make your own sous-vide machine after seeing these pics.

I’m gonna start you off with a warning: if you’ve never played around with electricity before, find someone who has. This isn’t a hard project at all, but you’re still working with 230 volts. That’s kinda different than the 5 or 12 volts you’re used to fucking around with inside your computer. And because this machine will help you cook it’ll always be near large reservoirs of water. Water and electricity: not best friends.

Sous-vide machine van binnen. Don't mention the wiring...

I refrained from making an actual tutorial because my version takes a few shortcuts that would probably get noobs zapped. You can definitely build a safe version with the information I provide, but if you’re unsure ask someone with more experience. I am, after all, an electrical engineering dropout. You really shouldn’t trust me on this.

Also: I’m not responsible for any self-electrocution, house-burnings or other creative ways in which you’ll win a Darwin award. There are more stupid things to die over than the perfect steak, but I’m pretty sure it ranks up there.

Now that that’s out of the way…

rexc100

The set you buy at Banggood contains a Rex-C100 PID, a type K thermocouple and a Fotek 40A solid state relay (SSR). Though the SSR and PID do not have ground connections you can set the rest of the wiring up with a ground, which would be a good idea considering the amount of water this thing will be near.

IMG_9763.jpg

The SSR needs a fuse and a heatsink according to the specs to handle more than 5A, which are not supplied in the set. Fotek makes a fitting heatsink with the right dimensions and pre-drilled holes, but any heatsink with sufficient surface would be enough to handle the heat. So I just went to my local electronics shop and bought the first heatsink that was bigger than the SSR and had holes in the right places. Cleaned them up with some 96% cleaning alcohol and used thermal paste to connect the SSR to the sink. I kinda forgot about the fuse, you probably shouldn’t.

IMG_9765.jpg

Yeah, the drilled holes weren’t quite in the right place for this SSR. Not optimal, but meh.

kthermo

The thermocouple in this set is a type K and can be used to measure temperatures from 0 to 400 degrees Centigrade according to the specs. I was surprised to find that the thermocouple was actually waterproof and usable for my sous-vide project, though in the future it might make more sense to get a better thermometer. An RTD type for example could measure the temperature to a decimal. It’s important to know that you can’t extend thermocouple cables with any other wiring, because you’d be changing the voltage differential that’s used to measure temperatures. The maximum distance between your PID and your water reservoir is the length of the thermocouple cable.

c100

The Rex PID series is officially a product of the Japanese RKC Instruments, but I have the feeling that this version from China is a cheap knockoff. On eBay you can get the cheapest version of the Rex for $1.99. No problem, knockoff or not, it still does what it’s supposed to. The manual you get in the set is in useless Chinese and the English manuals you find online are extremely confusing. There are multiple versions which differ per reseller, and they appear to be describing alternate versions of the C100 with different menus and settings. The only manual I found that seems to describe the C100 I have is this one. There’s a few strange translations in there, but for the most part it’s perfectly understandable.

The C100 has a sticker on the side that will tell you the specific model. Because there are many variants of the C100 and it’s unclear if Banggood always puts the same one in every set it’s actually quite important to check this number. The meaning of every symbol is explained in the previously linked manual. My C100 is model REX-C100FK02-V*NN, where the -V is the important part. If you have an -M instead of a -V model the C100 has an internal relay built into the PID. The problem is that this internal relay can’t handle the power we’ll be running through it and is bound to fail, sooner rather than later. That’s why we use the external SSR with a -V model. If you accidentally acquired an -M model, you can modify it yourself.

Interesting detail: all of the online manuals, except the one I linked, have a wrong pinout. The pinout on the sticker on the side of your C100 is correct. The manuals tell you to hook up the power to pin 6 and 7, while in reality it needs to go on pin 1 and 2. Pin 6 and 7 are alarm pins and hooking up 230 volts to it would be a fine way to blow up your PID. Luckily, my version of the C100 has no alarm and has no pin 6 or 7, so I really couldn’t make that mistake.

As a heatsource I’m using a watercooker, so my heatsource and my water reservoir are combined, which would also be the case with a rice cooker or a deep fryer. But you could also use an immersion heater, or several of them in parallel, in a separate reservoir. Some people use immersion heaters and insulated iceboxes to retain as much heat as possible.

Wire it all up like this:

Wiring diagram Rex-C100 PID for sous vide use

Considering I’m not using a metal case I’m grounding the heatsink in this build, as it’s the only metal object I might accidentally touch. But if you’re using a metal case, I’d just bolt the heatsink to that (for better heat dissipation too) and ground the case instead.

Plug in the device and the PID will boot – you’ll see the the type of thermometer, the min and max temperature, followed by the standard PV/SV view. The upper number, the PV, is the measured temperature. If this says Err, oooo or uuuu something is wrong with (the wiring of) your thermocouple. The lower number, the SV, is your desired temperature value. The four buttons beneath that are the SET, SHIFT, DOWN and UP buttons. Press SET once to change the SV value. Use SHIFT to pick the number to change with UP and DOWN. Press SET again to save this value. That’s important: the PID will not save any changed settings, here or in the menus, until you hit SET again. If you picked an SV higher than your current PV the PID will start trying to turn on the heatsource. You’ll see OUT1 light up on the PID and the red relay light on the SSR turn on.

Screenshot 2015-01-19 23.12.35

The other settings of the PID are spread over 3 menus: the Parameters menu you get when you hold SET down for 3 seconds, the Functions menu (COD 0) that you get when you hold down SET and SHIFT both for 3 seconds, and the Constants menu (COD 1) that you get when you change COD to 0001 in the Functions menu. According to the manual there should be a COD 2 menu too, but that one is missing on my C100. It’s possible that you can’t enter the COD menus on your C100 at first. In that case you need to switch the data lock function, LCK in the Parameters menu. Set it to 1000 to access all menus.

Check and set the following values in the COD menus:

Define input as a type K thermocouple.
COD0 menu, SL1 set to 0000

Define input unit as degrees Celcius.
COD0 menu, SL2 set to 0000

Turn off all alarm functions.
COD0 menu, SL4 set to 0000
COD0 menu, SL5 set to 0000
COD0 menu, SL7 set to 0000

Set function to heating.
COD0 menu, SL6 set to 0001

Set max temperature to 400.
COD1 menu, SLH set to 0400

Set min temperature to 0.
COD1 menu, SLL set to 0000

Turn off Digital Filtering.
COD1 menu, DF set to 0000

This is important: the purpose of Digital Filtering is to remove small fluctuations from the measured temperature, but the function is built so badly in the C100 that it actually filters out large temperature deviations. Once reached the PV temperature shown will remain equal to the desired SV temperature, even though the actual temperature of the water is unstable. This means the system looks perfectly accurate when in fact you’ll be drifting many degrees. That’s unacceptable for sous-vide cooking, of course.

IMG_9774.jpg

Finally you need to let the PID automatically tune itself for your setup, which needs to be repeated any time you change heatsource or water reservoir. By using the autotune procedure the PID will turn your heatsource on and off repeatedly, so it can learn how your setup warms up and cools down over time. When it’s done the options in the Parameters menu will be automatically set. If you’re unhappy with the results you can override the parameters manually, but it worked perfectly for me. And I have no clue what the PID parameters actually do, so there’s that.

To start the autotune procedure: fill your reservoir with water, turn on the heatsource and place the thermocouple in the water. Set the SV to a sous-vide temperature like 60 degrees Centigrade. Go to the Parameters menu and set ATU to 0001. This will start the procedure when you exit the menu. The AT light will start blinking while tuning, the length of the procedure depends on your heatsource and reservoir. For me the PID was done in 15 minutes while using a 1,7 liter watercooker. When the procedure is finished the AT light will go out and the PV and SV should be at the same temperature. Congratulations, your DIY sous-vide machine is ready for use! Better start here to find out what you’ll be cooking tonight :D